2002-03 MIRA Ceti sprak met... Jan Cuypers


Jan Cuypers is steeds één en al bereidwilligheid om zijn passie voor sterrenkunde met anderen te delen. Zijn enthousiasme werkt daarbij zeer aanstekelijk.Jan Cuypers is steeds één en al bereidwilligheid om zijn passie voor sterrenkunde met anderen te delen. Zijn enthousiasme werkt daarbij zeer aanstekelijk.

De Koninklijke Sterrenwacht van België in Ukkel is een vermaarde wetenschappelijke instelling die nationaal en internationaal hoog aangeschreven staat. Wanneer zo’n instituut zich aan de buitenwereld presenteert, gebeurt dat via een woordvoerder die van eenzelfde degelijkheid moet blijk geven. Voor de Koninklijke Sterrenwacht is één van die personen Jan Cuypers. Naast zijn degelijkheid als vakastronoom is hij ook een vlotte en vriendelijke man die vol enthousiasme praat over alles wat met sterrenkunde te maken heeft.
Jan Cuypers (°1956) groeide op in Averbode en kwam daar aan het eind van de jaren 1960 in contact met Helios, een plaatselijke sterrenkundeclub. Het was de periode van de ruimtevluchten naar de Maan en in middens van amateur-sterrenkundigen werd er druk gespeculeerd over quasars en pulsars.

Is het omwille van je activiteiten bij Helios dat jij in Leuven sterrenkunde wou gaan studeren, Jan?

Toen ik naar de universiteit in Leuven trok, was het in de eerste plaats om wiskunde te studeren. De sterrenkundige werkelijkheid leek me in eerste instantie toch een beetje te ver weg. Maar toen ik een onderwerp voor mijn licentiaatsthesis moest kiezen, ben ik uiteindelijk toch weer bij de sterrenkunde terecht gekomen. Na mijn studies heb ik enkele maanden als stagiair op de Koninklijke Sterrenwacht gewerkt, om vervolgens als assistent in Leuven aan de slag te kunnen en daar te doctoreren. En sinds december 1987 werk ik dus in Ukkel. Dat is intussen bijna vijftien jaar. Begin mei 2002: met MIRA op bezoek op de Koninklijke Sterrenwacht van België. Een kijkje in de tentoonstellingsruimte waar allerhande oude instrumenten staan opgesteld.Begin mei 2002: met MIRA op bezoek op de Koninklijke Sterrenwacht van België. Een kijkje in de tentoonstellingsruimte waar allerhande oude instrumenten staan opgesteld.
In die tijd ben ik ook altijd bij de amateurs van Helios actief gebleven. Soms had ik wel wat tijd om me daar mee bezig te houden, soms niet. En ook Helios kende ups en downs: er zijn jaren geweest dat we maar met twee leden waren, maar de laatste jaren is er terug behoorlijk wat interesse voor ons sterrenclubje.
Ik zit ook in de raad van bestuur van de VVS om als vakastronoom voor een vlotte wisselwerking te kunnen zorgen tussen de wereld van de professionele en de amateur-sterrenkunde.

Jij houdt je als onderzoeker specifiek met variabele sterren bezig?

Ja, variabele sterren en al wat daar mee te maken heeft is in Leuven één van de grote onderzoeksdomeinen. Ik heb in de jaren tachtig ook vrij veel waarnemingen gedaan in Chili toen de kleinere telescopen van de ESO daar nog operationeel waren. Nadien heb ik in opdracht van de universiteit van Leuven een tijdje in Villafranca in Spanje gewerkt voor de ESA. Daar bevond zich het volgstation van de International Ultraviolet Explorer, een belangrijke ultraviolettelescoop die van 1979 tot 1996 in een baan rond de Aarde cirkelde.
Ik houd me momenteel nog steeds bezig met variabele sterren, alleen is dit onderzoeksdomein intussen van naam veranderd en heet het nu asteroseismologie. Door het nog intensiever bestuderen van stertrillingen met ultramoderne en uiterst gesofisticeerde waarnemingsapparatuur heeft de asteroseismologie de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Het is duidelijk één van de grote topics in de hedendaagse astrofysica, wat b.v. al blijkt uit de vele vacatures die er tegenwoordig in dat vakgebied zijn.

Waarom zijn veranderlijke sterren zo belangrijk voor het sterrenkundig onderzoek in het algemeen?

Aangezien het onmogelijk is om in het inwendige zelf van sterren te kijken, kan dat wel op een onrechtstreekse manier: door heel gedetailleerd alle mogelijke stertrillingspatronen te bestuderen. Op basis van de waargenomen trillingen wordt vervolgens voor die bepaalde ster een theoretisch model opgesteld over het sterinwendige. Als theorie en de waargenomen praktijk met mekaar in overeenstemming zijn, is de kans groot dat het model goed is.
Bij de Zon heeft men zo op basis van verschillende trillingen een model ontwikkeld dat een vrij precies beeld geeft van de inwendige structuur en rotatie ervan. Op kleine details na werkt dit model zo goed als perfect.
Als men dergelijk onderzoek spreidt over verschillende types en leeftijdscategorieën van sterren, dan ontstaat er geleidelijk een vrij precies beeld van wat sterren juist zijn, hoe ze zijn samengesteld en hoe ze evolueren. En uiteindelijk krijgen we zo een idee over de structuur en de evolutie van ons heelal, wat eigenlijk toch de ultieme vraag is: hoe zit het grote geheel in mekaar en waar komt dat alles vandaan?

Heb jij ook de ster Mira bestudeerd?

Neen. Mira is een rode reuzenster die langperiodiek veranderlijk is. Ik houd en vooral hield mij bezig met blauwe hoofdreekssterren, sterren die dus veel heter zijn dan Mira, en zich daarom aan de andere kant van het bekende Hertzsprung-Russell-diagram bevinden. Er zijn opvallend veel betasterren bij: Beta Crucis, Beta Cephei, Beta Canis Maioris, … Deze categorie sterren zijn helder aan de hemel, omdat het intrinsiek heldere hoofdreekssterren zijn. Ze behoren dan ook tot de klassieke sterren van de sterrenbeelden, terwijl dit voor de langperiodiek veranderlijken veel minder het geval is omdat die roder en vooral lichtzwakker zijn.

Onlangs heb jij voor de VVS een boekje geschreven over sterren.

Over sterren bestaat er natuurlijk heel wat gespecialiseerde vakliteratuur en ook in allerlei vulgariserende astronomieboeken heeft men het over sterren. Maar blijkbaar bestond er in het Nederlands nog geen publicatie, uitsluitend gewijd aan het fenomeen ‘sterren’, die bovendien ook nog vrij goedkoop is, inhoudelijk een correct beeld geeft van onze actuele kennis van de astrofysica, én toch vlot te verstaan is voor de niet gespecialiseerde maar wel geïnteresseerde leek.
Ik heb geprobeerd een dergelijk boekje te produceren. Dat heeft uiteraard de nodige tijd geduurd: de tekst schrijven, gepaste illustraties bijvoegen (met veel dank aan Claude Doom), correcties en aanvullingen aanbrengen. Maar ik meen in alle bescheidenheid dat het resultaat mag gezien worden.

Eind april doken er geruchten op over een nieuwe categorie sterren: quarksterren. Wat is daarvan aan?
Eind april leek er een nieuw soort sterren ontdekt te zijn: quarksterren, die het midden zouden houden tussen neutronensterren en zwarte gaten. Toch voorzichtig zijn met dergelijke berichten, maant Jan Cuypers.Eind april leek er een nieuw soort sterren ontdekt te zijn: quarksterren, die het midden zouden houden tussen neutronensterren en zwarte gaten. Toch voorzichtig zijn met dergelijke berichten, maant Jan Cuypers.Het zou gaan om een stertoestand die het midden houdt tussen een neutronenster en een zwart gat. Een aantal onderzoekers zouden op basis van enkele zwakke punten in het klassieke neutronensterrenmodel berekend en ontdekt hebben dat er zo’n tussentoestand zou bestaan, met sterren opgebouwd uit nog kleinere deeltjes dan neutronen: quarks.
Zulke berichten lijken op het eerste zicht erg spectaculair en duiken dan ook steevast op in het wetenschappelijke nieuws. Maar meestal licht men één enkel punt uit een bepaalde theorie of laat men één bepaalde onderzoeker aan het woord, waarbij het er de nieuwsmakers vooral om te doen is een zo spectaculair mogelijk bericht de wereld in te sturen. Vaak worden dergelijke boude beweringen vrij snel ontkracht door kritische wetenschappers. In het geval van de quarksterren meen ik dat er intussen al twee of drie wetenschappelijke artikels verschenen zijn die serieuze vraagtekens plaatsen bij de ‘ontdekking’. Maar ja, in de media komen die kritische geluiden veel minder aan de bak, gewoonweg omdat ze minder spectaculair zijn.
Nu, het kan best zijn dat het klassieke neutronensterrenmodel wellicht hier en daar nog wat aangepast dient te worden, maar daarom vrankweg beweren dat quarksterren bestaan lijkt mij een te grote stap. Bij één van de twee ‘bewijzen’ was trouwens de afstand van het waargenomen object cruciaal, en intussen is aangetoond dat de afstand waarvan de onderzoekers uitgingen niet met de werkelijkheid overeenstemde. Meteen één bewijs minder. Maar misschien komt men binnenkort wel met overtuigender argumenten aandraven en moeten we toch rekening houden met het feit dat quarksterren effectief zouden kunnen bestaan. Of dat zo is, zal dus de toekomst moeten uitwijzen.

Na de Hubble is het stilletjes aan uitkijken naar de Next Generation Space Telescope die in 2010 zou gelanceerd worden. Kijk jij vol spanning uit naar hetgeen dat instrument ons zal onthullen over het diepe heelal?

Hiermee zal men in de eerst plaats speuren naar dingen ver weg in de ruimte en de tijd. Het ontstaan van de eerste sterren en van de eerste grotere structuren zullen in de eerste plaats de onderzoeksdomeinen van de NGST zijn. Dus i.p.v. de heldere sterren zal dit instrument zich veeleer met de allerzwakste sterren bezig houden, wat ook logisch is, want deze sterren kunnen alleen met dergelijk materiaal waargenomen en bestudeerd worden. Hetzelfde geldt ook voor de Very Large Telescope met zijn vier achtmeter telescopen. Ook dat instrument is gebouwd om te speuren naar extreem lichtzwakke objecten waarvan men heel veel fotonen moet binnenhalen om b.v. iets aan de weet te komen van het spectrum ervan.
Wie voor zijn of haar wetenschappelijk onderzoek van die grote telescopen gebruik wil maken, dient best over de nodige dosis geduld te beschikken. Er is immers zo veel vraag naar waarneemtijd dat b.v. voor de Hubble Ruimtetelescoop er nu al acht keer meer aanvragen zijn dan dat er tijd beschikbaar is!
Deze ruimtetelescoop is trouwens pas aan een tweede jeugd begonnen. Sinds de upgrading die via een bezoek van het ruimteveer in maart jongstleden werd uitgevoerd, is de blik van de HST scherper dan ooit tevoren. De nieuwe beelden die sindsdien beschikbaar zijn, zijn ronduit spectaculair.
Wanneer die beelden dan via een grootscheepse en wereldwijde perscampagne vrijgegeven worden, is het o.a. de taak van de Koninklijke Sterrenwacht om aan geïnteresseerde journalisten te lande de nodige uitleg en duiding daarbij te geven.

Dat is dan één van jouw taken?

De laatste jaren rest er mij steeds minder tijd om zelf wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Het lukt nog net, meestal in samenwerking met collega's van de sterrenwacht of van het Instituut voor Sterrenkunde van de K.U.Leuven. Ik heb immers ook ruimschoots mijn bezigheid met het beantwoorden van alle mogelijke vragen van pers en publiek i.v.m. sterrenkunde: vallende sterren, kalenders, het ontstaan van het heelal, sterrenbeelden, buitenaards leven, … noem maar op. Als je die vragen serieus wil beantwoorden, moet je over al die verscheiden onderwerpen dan ook op de hoogte zijn. Ook het ontvangen van bezoekers is iets waar ik me mee bezig houd. Ik schrijf verder nog informatieve teksten over de Koninklijke Sterrenwacht of over sterrenkunde, en ik vertaal teksten van mijn Franstalige collega’s, soms ook voor het Planetarium op de Heizel, dat van de Koninklijke Sterrenwacht afhangt.
Het valt trouwens op dat we hier meer vragen binnenkrijgen van Franstaligen dan van Nederlandstaligen. Blijkbaar zijn er in het Franstalige deel van ons land minder mogelijkheden om met astronomische vragen bij volkssterrenwachten of andere verenigingen terecht te kunnen dan in Vlaanderen.
Zoals daarstraks al gesteld worden sommige dingen vaak heel spectaculair aangekondigd, b.v. dat er in een meteoriet sporen gevonden zijn van leven op Mars, terwijl de werkelijkheid meestal veel minder opzienbarend is of men te voorbarig conclusies heeft getrokken. Het is dan onze taak op de Koninklijke Sterrenwacht om de dingen in hun juiste perspectief te schetsen.
En zoals bij die Marsmeteoriet moeten wij dan de euforie temperen en het verhaal daarmee een stuk minder aantrekkelijk maken. Waardoor het natuurlijk ook veel minder aandacht in de media krijgt.

Dat is ook één van de gevaren van informatie die van het internet afkomstig is: iedereen kan eigenlijk zomaar om het even wat voor waarheid verkondigen?

Inderdaad, terwijl degene die zijn bevindingen wil publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift met naam en faam eerst een referee of een lezerscomité moet weten te overtuigen van de wetenschappelijke waarde van hetgeen in zijn of haar artikel voorgesteld wordt. En dan kunnen ook andere kritische geesten daarover vragen beginnen stellen en kan er eventueel een debat op gang komen. En op een dergelijke manier kan er werkelijk vooruitgang geboekt worden in het wetenschappelijk onderzoek.
Maar op de sterrenwacht krijgen we werkelijk alle mogelijk en onmogelijke alternatieve theorieën te horen. Sommigen menen zelfs te weten hoe de werkelijkheid in zijn totaliteit in mekaar zit. Zij voelen zich dan gauw een miskend genie, zoals Galilei die door de paus en de wetenschap verketterd werd. Voor een enkeling kan dat wel eens het geval zijn, maar in de meeste gevallen is het duidelijk dat zij zichzelf niet voldoende vragen hebben gesteld of niet voldoende kennis hebben om verder in de materie door te dringen.
En uiteraard gaat het ook regelmatig over buitenaards leven. Mensen bellen b.v. omdat ze menen iets verdachts gezien te hebben. Ik heb trouwens al eens een ‘buitenaardse’ vrouw aan de lijn gehad, die bovendien Frans sprak. Ze vroeg me: “Vous étudiez les extraterrestres?” Toen ik zei dat iets dergelijks ons wel degelijk interesseert, antwoordde ze prompt: “Maintenant vous avez une en ligne!” Er volgde nog een hele uitleg over hoe ze te vondeling was gelegd, enzovoort. Maar geleidelijk werd haar verhaal wranger, want ze was niet tevreden met de gang van zaken in onze wereld, en ze liet ook verstaan dat wanneer zij een einde aan haar leven zou maken meteen ook de hele wereld zou vergaan. Nu ja, zo ben je op de duur meer iemand van teleonthaal dan wel een sterrenkundige, omdat je er toch niet helemaal gerust in bent. Misschien is het wel iemand in nood? Ik heb haar dan nog wat laten praten en uiteindelijk zijn we tot het compromis gekomen dat de ene helft van de wereld slecht is en de andere helft goed. En ze verzekerde me dat ik tot de goede helft hoorde en dat ik zelfs een wens mocht doen. Ik moest haar mijn wens evenwel niet kenbaar maken, want zij wist hem al. Tja, ik heb anders nooit gemerkt dat hij is uitgekomen! Ook over astrologische toestanden krijgen we allerhande vragen binnen, of vragen waaruit je kop noch staart kan krijgen. Maar boeiend is het dus zeer zeker wel.

Op welke onderzoeksdomeinen is de Koninklijke Sterrenwacht eigenlijk vooral actief?

De Koninklijke Sterrenwacht van België heeft als opdracht wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, een aantal diensten aan de gemeenschap te verzorgen, en die diensten in het internationale kader in te passen. Zo is b.v. het onderzoek op het vlak van zonnefysica meer dan louter sterrenkunde: door het bestuderen van de Zon krijgen we ook inzicht in de effecten van het ruimteweer*. (*Het ruimteweer is de toestand van de aardse magnetosfeer en de hogere atmosfeer onder invloed van de veranderlijke heliosfeer. De aardse magnetosfeer is het gebied in de ruimte dat beheerst wordt door het aardse magnetisch veld. De heliosfeer is het gebied in de ruimte waar de invloed van de Zon zich laat gevoelen). Dergelijke informatie stellen we dan ook beschikbaar aan alle belanghebbenden. Verder wordt er ook onderzoek verricht op het vlak van seismologie, de aardrotatie, de getijdenwerking en het GPS. Bovendien werkt een groep onderzoekers aan het instrument NEIGE voor de internationale Marssonde NetLander die in 2007 zal gelanceerd worden. En met behulp van atoomklokken beheren wij ook officieel de tijd in ons land. Het spreekt voor zich dat dit gebeurt in een internationaal kader, in nauw overleg met andere wetenschappelijke instituten.

Worden er in Ukkel op de Koninklijke Sterrenwacht nog veel waarnemingen gedaan?

Een deel van ons instrumentarium is in onbruik geraakt omdat het toestellen betreft die niet uitgerust zijn met moderne apparatuur. Er kunnen bijgevolg geen waarnemingen mee verricht worden die van belang zijn voor verder wetenschappelijk onderzoek.
Sinds 1996 is de Schmidt-telescoop in Ukkel uitgerust met een ccd-camera. Ondanks de sterke lichthinder in de Brusselse agglomeratie wordt het zo terug mogelijk erg lichtzwakke objecten te observeren.Sinds 1996 is de Schmidt-telescoop in Ukkel uitgerust met een ccd-camera. Ondanks de sterke lichthinder in de Brusselse agglomeratie wordt het zo terug mogelijk erg lichtzwakke objecten te observeren.De Schmidt-telescoop met een spiegeldiameter van 120 cm daarentegen is sinds 1996 met een gesofistikeerde ccd-camera uitgerust. En zo kan, ondanks behoorlijk veel lichthinder in de Brusselse agglomeratie, met dit prachtige instrument tegenwoordig opnieuw gespeurd worden naar heel lichtzwakke objecten. In de lijn van de traditie op Ukkel houden wij ons bezig met het opsporen en de positiebepaling van planetoïden in het zonnestelsel en volgen wij b.v. ook zo nu en dan cataclysmische variabelen*. (*Cataclysmische variabelen zijn veranderlijke sterren waarbij de helderheid explosief toeneemt. Meestal gaat het om nauwe dubbelsterren, waarbij er t.g.v. de zwaartekracht materie van de ene component naar de andere overgedragen wordt).
Zonnewaarnemingen worden hier ook dagelijks uitgevoerd, voor zover het weer het toelaat uiteraard, en dit zowel op de traditionele manier door te projecteren op een blad papier, als met behulp van een ccd-camera.
Maar de andere telescopen blijven er helaas ongebruikt bij staan en verworden op die manier tot museumstukken. Zonder een grondige opknapbeurt zijn ze trouwens niet eens meer bruikbaar. Op vele plaatsen worden dergelijke instrumenten in zo’n geval ter beschikking gesteld van amateurs die ze dan kunnen gebruiken en onderhouden, maar omwille van een aantal administratieve en praktische redenen valt dit in Ukkel vooralsnog moeilijk te realiseren. Misschien zal dat in een iets verdere toekomst wel mogelijk zijn, wie weet?

Het fotografisch archief zou momenteel ook in geen al te beste toestand verkeren?

Vooral de laatste jaren is er een enorme degradatie van de collectie fotografische platen waarover we op de Koninklijke Sterrenwacht beschikken, dit ten gevolge van vochtigheid die nu blijkbaar veel meer doordringt dan vroeger.

Als ik mij niet vergis gaat het hier om een vrij omvangrijke collectie?

Er zijn de vele fotografische opnames die in de loop van de vele jaren met de verschillende instrumenten van de Koninklijke Sterrenwacht gemaakt zijn. Het meest in het oog springt daarbij de collectie platen die deel uitmaken van de Carte du Ciel. Dit project was bedoeld om de ganse sterrenhemel via identieke telescopen systematisch in kaart te brengen en er werkten maar liefst zeventien sterrenwachten aan mee, waaronder Ukkel. Ook ligt hier een groot aantal platen die eigendom zijn van de ESO met daarop allerlei opnames die in de Chili zijn gemaakt. Alles bij mekaar gaat het toch om tienduizenden platen.
Je kan je natuurlijk afvragen wat het belang is van dergelijk ‘oud’ fotomateriaal.
Wel, het stelt astronomen in staat om te vergelijken met het heden en eventueel vast te stellen hoe sterren en andere hemelobjecten in die tussentijd evolueerden en zich door het universum verplaatsten.

Is men intussen in actie geschoten om die kostbare collectie van de uiteindelijke ondergang te redden?

Jazeker, er is een project lopende om de bestaande platen digitaal op te slaan. Men is al begonnen aan het inventariseren en het prescannen ervan, de rest volgt nadien. Het zal in ieder geval een werk van lange adem zijn, maar de inspanning loont zeker de moeite.
Vervolgens is het de bedoeling de platen opnieuw te stockeren, maar ditmaal in een speciale ruimte waar ze goed beschermd zijn tegen vocht en andere bedreigende omstandigheden. Waarschijnlijk zullen dergelijke fotografische platen dan ook vanuit andere locaties waar men niet zulke beschermende maatregelen kan treffen naar de Koninklijke Sterrenwacht worden overbracht.

Hopelijk is er zo voor al dit materiaal uiteindelijk dan toch nog een mooie oude dag weggelegd. Ik dank jou in ieder geval voor dit interessante gesprek.

Interview afgenomen voor het tijdschrift Mira Ceti nummer 3, jaargang 2002

Nuttige Links