2008-01 MIRA Ceti sprak met... Yaël Nazé


Een ritje van Grimbergen naar Luik op een mooie herfstdag en vervolgens ruim een uur vertoeven in het charmante gezelschap van een jonge veelbelovende astronome, er zijn minder aangename manieren denkbaar – lijkt me – om de tijd door te bengen. Aan het Institut d’Astrophysiqe et de Géophysique van de universiteit van Luik waar zij werkzaam is had ik een gesprek met Yaël Nazé, 31 jaar, afkomstig uit de Borinage. Als tienjarige was zij vastbesloten om weerkundige te worden, maar al na een zestal maanden kwam de ware passie boven: sterrenkunde. En die passie is blijven duren, tot profijt van velen. Want reeds tijdens haar ingenieurstudies in Bergen en nadien haar doctoraat in de sterrenkunde in Luik was zij steeds ook de bezielster van zovele initiatieven op het vlak van de popularisatie van wetenschappen en sterrenkunde: het houden van lezingen, het organiseren van sterrenkijkavonden, en zo veel meer. Haar vakkennis, maar ook haar toewijding en enthousiasme worden trouwens ook ver over onze landsgrenzen naar waarde geschat.

 

Yaël NazéMevrouw Nazé, op uw website las ik dat u in augustus 2000 in Ispahan aanwezig was op de ‘First Gathering of Iranian Amateur Astronomy Groups’. Wat mag ik me voorstellen bij amateursterrenkunde in Iran?

 

Ah, dat was een heel boeiende ervaring. Ik was toen actief bij de sterrenkundige kring in Bergen. Op een dag ontvingen we een e-mail vanuit Iran met de vraag van een aantal amateursterrenkundigen van ginds om eens van gedachten te wisselen over hetgeen zij deden en hetgeen wij deden op het vlak van sterrenkunde. Aangezien niemand anders uit onze groep zich geroepen voelde om op die vraag in te gaan heb ik maar het initiatief genomen en uit die contacten is uiteindelijk het plan ontstaan om in Ispahan een grote bijeenkomst van Iraanse amateursterrenkundigen te organiseren met de medewerking van een aantal buitenlandse experten. Zelf heb ik twee lezingen gehouden, één voor de gevorderde amateurs en één meer vulgariserend voor een ruimer publiek. Andere wetenschappers hadden het over satellieten, asteroïden, kometen, enzovoort. De meest opvallende gast tijdens die bijeenkomst was de Amerikaan Bruce McCandless, iedereen kent hem als de astronaout die gezeten in een ruimtestoel vrij door de ruimte vliegt.   

 

En was er veel publieke belangstelling voor deze bijeenkomst?

 

Het verbaasde mij ook dat er in Iran zoveel amateursterrenkundigen zijn, vrouwen zowel als mannen. Vaak zijn ze geëquipeerd met zelfgebouwde soms indrukwekkende instrumenten. Ik herinner me b.v. een jongen van een jaar of vijftien die een radiotelescoop had ineengeknutseld. Hij was apetrots toen hij me demonstreerde hoe hij daarmee de radiostraling van Jupiter kon waarnemen. Er is daar werkelijk een enorme belangstelling voor sterrenkunde.

 

En is die belangstelling wetenschappelijk of veeleer religieus geïnspireerd?

 

Het religieuze zit natuurlijk diep geworteld in de Islamwereld, en er zijn uiteraard waarnemers die er vooral op uit zijn om na Nieuwe Maan als eersten de Maansikkel te zien, want voor de moslims begint er dan een nieuwe maand. Maar volgens mij gaat hun interesse voor sterrenkunde toch verder dan dat, zij kijken wel naar de hemel als de schepping van God, maar willen ook begrijpen hoe alles aan die hemel in mekaar zit.

 

Hebt u er via uw professionele contacten zicht op hoe het sterrenkundig onderzoek in andere delen van de wereld evolueert?

 

Het zwaartepunt ligt ontegensprekelijk in Europa en de VS, maar Azië, India en Zuid-Amerika komen ook sterk opzetten. Met astronomen uit die delen van de wereld zijn er nauwe en goede contacten. Wat betreft Afrika en het Midden-Oosten is dat veel minder het geval. Zelf stelde ik vast in Iran is dat er relatief weinig professionele astronomen werkzaam zijn in mijn onderzoeksdomein, maar je hebt er wel degelijk topwetenschappers in een aantal andere spitsdomeinen zoals het onderzoek naar neutrino’s en dergelijke. Het is ook duidelijk dat China een steeds grotere rol zal gaan spelen, je ziet dat b.v. al aan het aantal gepubliceerde artikels in wetenschappelijke tijdschriften. Internationale samenwerking is trouwens een noodzaak voor het realiseren van grote onderzoeks- of ruimtevaartprojecten. Een mooi voorbeeld op dit vlak is Double Star, een samenwerkingsproject tussen de ESA en het Chinese ruimtevaartagentschap, waarbij er twee satellieten werden gelanceerd om de invloed van de Zon op de aardse magnetosfeer te bestuderen.

 

Voor uw onderzoek bent u al waarnemingen gaan doen in Chili. Hoe gaat het daar in zijn werk? En ervaarde u de sterrenhemel daar zelf ook als onevenaarbaar?

 

Het lijkt avontuurlijker dan het is. Om te beginnen is het helemaal niet gemakkelijk om in die grote observatoria telescooptijd toegewezen te krijgen en bovendien gaan astronomen steeds minder ter plaatse om zelf hun waarnemingen te verrichten.

Hoe gaat dat in zijn werk? Je schrijft een proposal die je aan een jury voorlegt. Nu is het zo dat er veel meer proposals ingediend worden dan dat er telescooptijd beschikbaar is. Het is dus helemaal niet evident om je voorstel aanvaard te zien worden, en je moet een stevig dossier voorleggen met ijzersterke argumenten om de jury te overtuigen dat de kostbare telescooptijd die voor jouw project uitgetrokken wordt goed besteed is. Eens je proposal aanvaard is zal men de waarnemingen die jij nodig hebt voor jou doen, in het observatorium is daar een speciaal serviceteam voor aanwezig. En als de waarnemingen verricht zijn krijg je cd of dvd met alle nodige gegevens en kan je verder aan de salg met je onderzoek. Dus de astronoom die zelf de telescoop bedient behoort stilletjesaan tot het verleden, zeker als het gaat om die reuzentelescopen.

Met onze onderzoeksgroep van de universiteit van Luik gaan we geregeld naar het Observatoire de Haute Provence in Frankrijk om bepaalde sterren van de noordelijke sterrenhemel waar te nemen, maar om de sterren van de zuidelijke hemelsfeer te bestuderen heb ik het geluk gehad om binnen een periode van zes maanden drie missies te verrichten in Chili.

Eerst ben ik op Cerro Tololo geweest waar zich het Inter-American Observatory bevindt. Ik kon daar voor mijn waarnemingen beschikken over een telescoop met een spiegel van 90 cm, vrij klein dus in vergelijking met de kolossen die je verder nog in de Chileense observatoria aantreft. Bovendien was het daar een koepel van het type do-it-yourself. Daar kon of moest je echt alles zelf doen: de koepel open en dicht draaien, de vloeibare stikstof in de ccd-camera doen, alle nodige kalibraties verrichten, d.w.z. het opmeten van eventuele afwijkingen van de instrumenten ten opzichte van bepaalde referentiewaarden. En je mocht daar zeker niet vergeten om de telescoopbuis af te sluiten, want in die koepel nestten vogels...

Het heeft natuurlijk wel charme om alles zelf te kunnen doen, maar zo’n waarneemsessie is toch behoorlijk vermoeiend. Je staat op rond drie uur in de namiddag, dan is het tijd voor de eerste voorbereidselen op de waarnemingsnacht die er aan komt, nog gauw even tijd maken om te gaan eten, en dan nog zorgen dat je voor zonsondergang de laatste kalibraties van je instrumenten kan verrichten. Op Cerro Tololo zaten we aan het begin van de herfst, dus begon het om acht uur al donker te worden. En dan is het tijd om de ganse nacht waar te nemen. Als de Zon begint op te komen ben je nog niet helemaal klaar, want dan is het tijd voor de laatste kalibraties, het opbergen van al je spulen, het afsluiten van de telescoop en de koepel en dan pas kan je gaan slapen.

Op Cerro Tololo is het vrij klein, maar daardoor is het er wel gezelig en heerst er een aangename en collegiale sfeer. Het enige jammere is dat door de nabijheid van de stad La Serena er toch sprake is van enige lichthinder.

Op La Silla is de hemel veel donkerder, het is er een ideaal waarnemingsoord. En ook op La Silla heerst een uitstekende ambiance.

Maar daar heb je dan weer te maken met het gegeven dat van de 18 aanwezige telescopen er tegenwoordig maar 6 meer in gebruik zijn. La Silla lijkt op die manier wel een beetje op een telescopenkerkhof, en dat is natuurlijk geen fijn idee. In principe zijn een heel deel van die afgeschreven instrumenten nog wel bruikbaar, ook al zijn ze momenteel niet meer toegankelijk, maar de budgetten voor een noodzakelijke upgrade zijn er niet en er is evenmin geld om ze te slopen. Dus zijn ze overgeleverd aan de tand des tijds, en dat is een pijnlijk gezicht. De ESO – wat staat voor ‘European Organisation for Astronomical Research in the Southern Hemisphere’ – verkiest zijn budget veeleer te spenderen aan toekomstgerichte projecten, en dat is begrijpelijk.

Toch blijven er op La Silla nog een aantal indrukwekkende telescopen in bedrijf: de 3,6-meter, de 2,2-meter en de New Technology Telescope, en voor die instrumenten zijn er nog steeds veel meer aanvragen om ze te gebruiken dan dat er waarneemtijd beschikbaar is.

En dan heb je natuurlijk nog de Paranal met de Very Large Telescope, het paradepaardje van de ESO, ook daar ben ik geweest. Qua sfeer is het daar wel totaal anders dan op Cerro Tololo en La Silla, het gaat er daar meer afstandelijk en rigide aan toe. Als astronoom wordt je er niet van dichtbij bij betrokken, en dat geeft wel een onbehaaglijk gevoel. Voor je waarnemingssessie kan je terecht in een controlezaal, maar een telescoop valt er nergens te bespeuren. Af en toe organiseren ze voor de aanwezige astronomen wel een kleine rondleiding waarbij je toegang krijgt tot de koepels en de telescopen te zien krijgt. En dat is hoe dan ook een buitengewone ervaring, want oog in oog staan met een spiegel van 8,2 meter is echt wel indrukwekkend.

Maar nog spectaculairder dan die reusachtige telescopen vond ik de sterrenhemel zelf, het is daar echt waar ongelooflijk donker. Om een voorbeeld te geven: de Magellaanse Wolken kan je op Cerro Tololo zien als je perifeer kijkt, anders lukt het niet. Op La Silla kan je ze duidelijk zien eens je ogen aan het donker aangepast zijn. Maar op Cerro Pranal is dat niet eens nodig, als je daar vanuit een verlichte ruimte buiten komt zie je ze meteen klaar en duidelijk aan de hemel staan. Echt indrukwekend, ik kan het je verzekeren.

 

Valt het mee om daar je weg aan de sterrenhemel terug te vinden?

 

Het is wel even wennen om een aantal sterrenbeelden die opvallend zijn aan onze sterrenhemel ook aan de zuidelijke sterrenhemel terug te vinden maar dan ondersteboven. De drie gordelsterren van Orion zie je ook daar netjes op een rij staan, maar Rigel staat boven en Betelgeuze onder die gordel. Bovendien zijn er daar sterrenbeelden die wij alleen maar van naam kennen zoals het Zuiderkruis, de Paradijsvogel, de Kameleon, enzovoort. En natuurlijk zijn er op zo’n extreem donkere locatie oneindig veel meer sterren te zien dan bij ons, zodat het toch wel even zoeken is. Maar met een sterrenkaart bij de hand lukt het ten slotte wel.  

 

Ongetwijfeld stimuleren die grote Europese en Amerikaanse projecten ook het sterrenkundig onderzoek ter plaatse?

 

Chileense astronomen hebben recht op een bepaald percentage van de waarneemtijd, en bijgevolg heeft de inplanting van die verschillende observatoria effectief voor een enorme boom in de sterrenkunde ginds gezorgd. Maar het zijn niet alleen Chilenen zelf, ook heel wat buitenlanders hebben zich ingeschreven aan Chileense universiteiten om op die manier mee te kunnen genieten van die beschikbare telescooptijd.

 

In maart 2006 verscheen het intussen meermaals bekroonde boek “L’Astronomie au féminin” waarin u vrouwen wil geven waar ze recht op hebben in de wereld van de sterrenkunde: een vooraanstaande plaats. Wat betekent dit boek voor uzelf?  

 

Ik heb een erg grote belangstelling voor geschiedenis, en uiteraard in het bijzonder voor de geschiedenis van de sterrenkunde. Toen ik op een dag een lijstje met belangrijke vrouwelijke astronomen onder ogen kreeg en moest vaststellen dat die namen mij niet meteen erg vertrouwd in de oren klonken, dacht ik bij mezelf: hoe is dat mogelijk? Ik ben beginnen zoeken naar meer informatie over die vrouwen en hun rol in het sterrenkundig onderzoek, en ik stelde inderdaad vast dat zij belangrijke dingen hadden gerealiseerd. En toen is het idee ontstaan om over dit onderwerp een boek te schrijven.

Het is een vulgariserend werk waarbij elk hoofdstuk gaat over een bepaald onderzoeksdomein. Ik leg eerst uit waarover het precies gaat, welke rol die welbepaalde astronome gespeeld heeft in de ontwikkeling van dat onderzoeksdomein met ook een biografische schets.  

 

En wie zijn de meest illustere vrouwen die in je boek aan bod komen?

 

Het is moeilijk kiezen, want ze hebben allemaal een belangrijke bijdrage tot de astronomie geleverd. Neem Caroline Herschel, de zus van William Herschel, en Carolyn Shoemaker, de vrouw van Gene Shoemaker, dat zijn beide sterke vrouwen die een niet te onderschatten rol hebben gespeeld bij de faam en de ontdekkingen van hun mannelijke partner. Zij hebben trouwens allebei heel wat komeetontdekkingen op hun naam staan.

Je hebt die groep vrouwen van Harvard die een beetje denigrerend de harem van Pickering wordt genoemd, maar zij zijn wel verantwoordelijk voor de eerste grote classificatie van sterren in verschillende types aan het eind van de negentiende eeuw. In die groep ontpopte iemand als Henrietta Leavitt zich tot een vooraanstaand wetenschapster. Zij ontdekte dat er een verband bestaat tussen de periode van de helderheidsschommelingen van Cepheïden en hun absolute helderheid, en daardoor kunnen die soort sterren gebruikt worden om vrij nauwkeurig afstanden te bepalen in het heelal.

En voorts heb je nog Margaret Burbidge met haar baanbrekend werk op het vlak van astrochemie, Vera Rubin die het onderzoek naar donkere materie een flink stuk vooruit heeft geholpen en Jocelyn Bell met haar ontdekking van en onderzoek naar pulsars 

 

U bent in 2007 door de Conseil des Femmes Francophones de Belgique verkozen tot vrouw van het jaar. Proficiat, en betekent dit dat vrouwen in de sterrenkundewereld nu stilaan hun plaats hebben veroverd?

 

Al die erkenning is natuurlijk leuk, en het is inderdaad zo dat er de laatste decennia veel ten goede is veranderd wat betreft de positie van de vrouw in de wetenschappelijke wereld. Hetgeen Henrietta Leavitt heeft ontdekt is een fundamenteel inzicht waardoor Hubble en Lemaître tot het inzicht konden komen van een uitdijend universum. Maar de wet die de relatie aangeeft tussen de afstand en de vluchtsnelheid van sterrenstelsels noemt men wel de wet van Hubble en niet die van Leavitt.

Het is alleszins heel positief dat vrouwen nu veel meer kansen hebben om te studeren. Zelf heb ik eerst ingenieurstudies gedaan en ook al waren er niet veel meisjesstudenten in onze richting, toch heb ik nooit het gevoel gehad dat vrouwen daar niet thuishoren. Het probleem voor veel vrouwen komt eigenlijk pas na het behalen van een doctoraat. Voor je postdoc moet je een aantal jaren in buitenlandse onderzoekscentra doorbrengen, en als je dan b.v. al schoolgaande kinderen hebt of een echtgenoot met zelf een interessante job is het niet evident om naar het buitenland te trekken. Het omgekeerde, vrouwen die hun man naar het buitenland volgen, komt veel vaker voor. Het zijn dus eerder sociale dan intellectuele redenen die vrouwen kunnen dwarsbomen in hun wetenschappelijke carrière.

Maar gelukkig is het tegenwoordig ondenkbaar dat men zou zeggen dat een artikel slecht zou zijn omdat het geschreven is door een vrouw, dat stadium zijn we voorbij.

 

In 1974 geschiedde er anders toch nog onrecht toen niet Jocelyn Bell maar wel haar promotor Antony Hewish de Nobelprijs kreeg voor haar ontdekking van pulsars?

 

Een heel rare historie. Hewish had Jocelyn Bell doen werken aan een bepaald project en per toeval ontdekt ze tijdens haar onderzoek snel pulserende radiobronnen, hetgeen we nu pulsars noemen. Hewish heeft dan van alles gedaan om haar te ontmoedigen, hij wilde haar overtuigen dat ze een stommiteit had begaan door de radiobron LGM te noemen, wat staat voor Little Green Men, omdat het net leek te gaan om radiosignalen afkomstig van buitenaards intelligent leven. Maar Bell was ervan overtuigd dat ze wel degelijk iets interessants had ontdekt en heeft zich met volle overgave gewijd aan het verdere onderzoek. Zij kon ten slotte ook aantonen dat die pulsen afkomstig waren van snel ronddraaiende neutronensterren. Toen haar conclusies werden gepubliceerd in Nature, stond haar naam echter pas tweede, na die van Hewish, de projectleider. En wie kreeg in 1974 de Nobelprijs voor dit onderzoek? Ja zeker, Hewish, en niet Jocelyn Bell. Het Nobelcomité heeft de vele kritiek gepareerd met vage argumenten, maar het blijft alleszins een dubieuze affaire. Ik weet niet of men dit anno 2008 nog opnieuw zo zou durven doen.

 

U doet zelf onderzoek aan massieve sterren en hoe die kolossen interageren met hun omgeving. Kan u daar in het kort iets over vertellen?

 

Massieve sterren zijn sterren die minimaal 30 keer de massa van de Zon hebben, superheet zijn en een miljoen keer helderder zijn dan de Zon. Ze gaan zo kwistig om met hun brandstofvoorraad dat ze slechts enkele miljoenen jaren blijven bestaan tegenover een tiental miljard jaren voor sterren zoals onze Zon.

Nog niet één procent van alle sterren in een sterrenstelsel horen tot de categorie der massieve sterren, en toch zijn zij het die domineren. Als je een verafgelegen sterrenstelsel bekijkt zijn het om te beginnen de helderste sterren die opvallen, en anderzijds zijn het de massieve sterren die als supernova exploderen en zo uiterst belangrijk zijn wat betreft de vorming van nieuwe chemische elementen. Ze oefenen ook een enorme invloed uit op hun galactische omgeving, niet alleen door te exploderen als supernova, maar evenzeer door hun enorm krachtige sterrenwind. Die kan je vergelijken met de zonnewind, maar is wel tien keer sneller en er wordt daarbij tien miljard keer meer materie uitgestoten. Hierdoor wordt de omringende materie weggeduwd en ontstaan er grote bellen rond deze massieve sterren. En die interacties met de omgeving zorgen voor botsende gas- en stofmassa’s wat in een volgend stadium leidt tot een nieuwe geboortegolf van sterren.

Er is nog een heleboel dat we niet begrijpen i.v.m. massieve sterren. Over de grote lijnen weten we al wel wat, maar de details over hoe ze ontstaan, evolueren en aan hun eind komen zijn niet zo goed gekend. Veel onderzoekswerk dus voor ons team van de Groupe d’AstroPhysique des Hautes Energies in Luik. Wij bestuderen de emissies van massieve sterren in het zichtbare deel en het röntgendeel van het spectrum.

 

Een deel van jullie onderzoek gaat over Wolf-Rayet sterren?

 

Wolf-Rayet sterren zijn massieve sterren in een ver geëvolueerd stadium. Massieve sterren beginnen op de hoofdreeks als O-sterren. Vervolgens evolueren ze tot zogenaamde LBV’s, Luminous Blue Variables, of tot rode superreuzen. Daarna worden ze Wolf-Rayet sterren. In de loop van hun bestaan zijn deze massieve sterren door die krachtige sterrenwind of door erupties heel veel massa kwijtgespeeld, zodat het bij Wolf-Rayet sterren soms mogelijk is rechtstreeks de sterkern te zien waar de fusiereacties zich voordoen. In deze fase is de sterrenwind trouwens nog dichter en krachtiger. Je ziet het, interessante studieobjecten om vele redenen.  

 

Van welke ruimtetelscopen maken jullie gebruik voor jullie onderzoek?

 

Voor het observeren van de röntgenstraling maken we gebruik van de Europese ruimtetelescoop XMM Newton. In het geval van röntgenstraling of X-stralen hebben we te maken met fotonen met heel veel energie. Een gas zal ten minste een miljoen graden heet moeten zijn vooraleer het röntgenstraling uitzendt. Maar er bestaat straling met nog meer energie, de zogenaamde gammastraling, die vrijkomt bij de meest extreme gebeurtenissen in het heelal. Om die te observeren is er de ruimtetelescoop Integral van de ESA. Het observeren van gammastraling is wel een zeer ingewikkelde aangelegenheid, want het betreft straling die door haar extreem korte golflengte als het ware overal doorheen gaat, dus ook door het waarneeminstrument zelf. Alleen met heel speciale technieken lukt het om gammastraling op te vangen. En dat is wat Integral met succes doet. Zo werden al verschillende nieuwe soorten bronnen van gammastraling ontdekt, b.v. pulsars die onzichtbaar zijn door een cocon van materie die hen omgeeft, maar toch ontdekt werden door hun gammastraling die wel door die cocon heen kan dringen.

 

Kan Integral ook een bijdrage leveren voor jullie onderzoek?

 

Wij proberen te ontdekken of massieve sterren ook bronnen zijn van gammastraling, dat is nog niet helemaal duidelijk. Met de Amerikaanse Compton Gamma Ray Observatory die tot 2000 actief was dacht men één of twee keer zo’n detectie gedaan te hebben, maar men was verre van zeker. Integral is een veel gevoeliger instrument en kan wellicht uitsluitsel geven. We hebben hier een doctorandus die zich met deze kwestie bezig houdt. Eigenlijk mag ik niets verklappen, maar toch wil ik al onthullen dat hij inderdaad wat ontdekt heeft. Nu komt het er op aan om uit te leggen waarom bepaalde massieve sterren wel een bron zijn van gammastraling en andere niet.

 

Ik wens u en uw collega’s veel succes toe bij het verdere onderzoek. Alvast hartelijke dank voor het interview.