2013-03 MIRA Ceti sprak met... Floris Cohen


In 2007 verscheen het zeer lezenswaardige boek ‘De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard’, auteur is Floris Cohen (°1946), hoogleraar in de vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap aan de universiteit van Utrecht. In 2010 verscheen van zijn hand een nieuwe publicatie, ‘Isaac Newton en het ware weten’. Om professor Cohen daarover te interviewen trok MIRA Ceti onze noordelijke landsgrens over.

Het boek is opgehangen aan de vergelijking tussen Isaac Newton (1642-1727) aan de ene kant en zijn tijdgenoot Robert Hooke (1635-1703) aan de andere kant. Ook Hooke was een begaafd man die zich voor veel van dezelfde natuurfilosofische verschijnselen interesseerde als Newton deed, maar toch is er een radicaal verschil tussen die twee. Voorts wil het boek inzicht verschaffen over hoe Newton worstelde met de kennis van zijn tijd en op eigen kracht tot totaal nieuwe inzichten kwam op het vlak van optica en mechanica. Dat Newton een belangrijk deel van zijn leven wijdde aan het bestuderen van theologie en alchemie is intussen genoegzaam bekend, via het boek van professor Floris Cohen komen we ook te weten welke betekenis beide onderzoeksdomeinen hebben gehad in het licht van de fundamentele drijfveer van Isaac Newton, namelijk zijn onblusbare drang naar het ultieme, ware weten.

 

Floris CohenHet vergaren van kennis moet voor de jonge Isaac geen eenvoudige klus zijn geweest?

 

Wat hij in de Grammar School in Grantham als onderricht kreeg stelde niet zo vreselijk veel voor. In 1661, Newton was toen achttien jaar, vertrok hij naar de universiteit van Cambridge en daar studeerde hij aan het Trinity College. Nu moeten we ons er wel goed van bewust zijn dat de universiteiten van toen helemaal niet te vergelijken zijn met de universiteiten zoals wij die vandaag de dag kennen, wetenschappelijk onderzoek was niet aan de orde en er werd alleen maar onderwezen. Momenteel is de universiteit van Cambridge wereldvermaard, maar in de zeventiende eeuw was het een wat achterlopende instelling waar de leer van Aristoteles op het vlak van natuurfilosofie de norm was.

Als eerstejaarsstudent heeft Newton dat natuurlijk braafjes tot zich genomen, maar al snel bleek die manier van wetenschappelijk denken hem totaal niet te bevredigen. We kunnen vrij goed achterhalen wanneer die mentale ommekeer zich bij hem voordeed, Newton is immers zijn leven lang continu aan het schrijven geweest, en bovendien heeft hij nooit iets weggesmeten. Hij heeft één keer een brandje in zijn studeerkamer gehad waardoor een aantal papieren verloren zijn gegaan, maar voor de rest zijn vrijwel al zijn geschriften bewaard gebleven, en zoiets komt maar zelden voor. Voor wetenschapshistorici zoals ik zijn die documenten niets minder dan een ware goudmijn om inzicht te krijgen in de persoon Newton en in het intellectuele klimaat van die tijd. Newton is dan volkomen buiten het curriculum van de universiteit op eigen houtje een halve eeuw wetenschappelijke revolutie gaan ontdekken. Als tweede- en derdejaarsstudent las hij Galilei, Descartes, Kepler, Boyle, Hooke en Huygens, allemaal protagonisten die elk op hun manier een bijdrage hadden geleverd tot het veranderende wereldbeeld waarin Aristoteles had afgedaan.

Van Descartes las hij niet alleen de natuurfilosofische werken, maar ook zijn Géométrie. Om zich wiskundig te vormen was Newton begonnen met het lezen van de Stoicheia van Euclides, het grote wiskundige basiswerk uit de Oudheid, maar dat vond hij zo verschrikkelijk simpel, dat hij het snel weer terzijde heeft gelegd. Toen heeft hij zichzelf hogere wiskunde bijgebracht aan de hand van die Géométrie van Descartes, een boek waarin heel simpel gezegd een aantal basisbegrippen en methoden van de analytische meetkunde worden voorgesteld. Newton kende geen Frans, maar Frans van Schooten, o.a. ook de leermeester van Christian Huygens, had van de Géométrie een uitstekende en ook didactisch heel goed verzorgde Latijnse vertaling gemaakt, en daar kon Newton dan wel mee aan de slag. Binnen een jaar beheerste hij de meest geavanceerde wiskunde van zijn tijd en kon hij verdere stappen gaan zetten. En enkele maanden later al ontwikkelde hij zijn revolutionaire differentiaal- en integraalrekening. Het tempo en het niveau van de evolutie die Newton op wiskundig vlak doormaakte is echt verbijsterend.

Dit alles kon natuurlijk alleen maar omdat het er aan de universiteit van Cambridge buitengewoon laks aan toe ging. De meeste docenten of fellows zoals ze toen genoemd werden zaten liever in de taveerne dan in de collegezaal, en lieten zich voor hun onderwijsopdrachten maar al te graag vervangen door de wat armere tweede- en derdejaarsstudenten die dan in ruil voor een paar ponden de eerstejaars onder hun hoede namen. Het kon niemand wat schelen dat die rare Newton zich bezighield met allerlei auteurs als Galilei, Descartes en Kepler, waar de meesten aan de universiteit nog nooit hadden van gehoord. Toen Newton later zelf fellow werd aan het Trinity College en tot hoogleraar in de wiskunde werd benoemd, waren ook zijn onderwijsverplichtingen miniem, en bovendien hadden zijn studenten maar weinig besef van waar hij het over had. En zo kon hij dus zijn gang gaan aan de universiteit, zoals ook de andere fellows hun gang gingen, alleen voerden die weinig zinnigs uit, en Newton uiteraard wel.

 

Uit uw boek komt ook een Newton tevoorschijn met een ongemeen sterk vermogen om zich op een bepaald probleem te concentreren.

 

Dat concentratievermogen van hem was inderdaad verbijsterend. John Maynard Keynes, de beroemde Britse econoom, was in het begin van de jaren 1940 via een veiling in het bezit gekomen van een aanzienlijk deel van de geschriften van Newton, na zijn dood heeft hij die trouwens bij testament geschonken aan de universiteit van Cambridge. Hij was ook uitermate geboeid door de inhoud van al die teksten, en het was Keynes die eigenlijk de ontdekker is van de alchemistische verhandelingen van Newton. Keynes was zelf ook een genie, en hij zag meteen het belang in van die zovele pagina’s over alchemie maar ook over theologie die Newton geschreven heeft. Die zijn niet los te denken van zijn andere denkbeelden op het vlak van wat toen de natuurfilosofie heette. Van Keynes is de schitterende uitspraak: "Newton was not the first of the age of reason, he was the last of the magicians". Om terug te komen op dat concentratievermogen van Newton, daarover zei Keynes: ook wij kunnen geconcentreerd over een probleem nadenken, en dan zijn we gedurende een minuut of vijf minuten of een half uur met niks anders bezig in ons hoofd. Maar dan verdwijnt die concentratie en dringt de gewone realiteit zich weer aan ons op. Bij Newton was dat anders, die kon zich maanden aan een stuk in een of andere kwestie waar hij mee worstelde vastbijten.

Je kan in het leven van Newton twee grote perioden aanwijzen waarin zijn creatief genie een hoogtepunt bereikte, dat waren om te beginnen zijn fameuze wonderjaren in 1665 en 1666 toen hij nog student in Cambridge was, maar omwille van de pestepidemie die daar en in Londen woedde terug naar zijn geboortehuis in Woolsthorpe trok, en vervolgens de twee en een half jaar voorafgaand aan het verschijnen van de Principia, dus van 1684 tot 1687. Uit die periode stammen de verhalen over die bizarre en onbegrijpelijke fellow Newton die zijn maaltijden onaangeroerd liet staan, die met een minimum aan slaap toekwam, en die, als hij al eens een hoogst uitzonderlijke keer gasten op bezoek had een fles wijn ging halen in een ander vertrek, maar intussen op een idee kwam, en zo vergat hij uiteindelijk de wijn en de gasten en begon hij in gedachten verzonken zijn idee op papier te zetten.

 

De bevindingen die hij deed tijdens zijn wonderjaren in Woolsthorpe waren een voorbode van de ideeën die hij nadien helemaal zou uitwerken in zijn Principia?

 

Er heeft zich inderdaad een hele evolutie in Newtons denken voorgedaan. Uit de periode in Woolsthorpe dateren zijn inzichten over de kleurschifting, waarschijnlijk ook de integraal- en differentiaalrekening, maar het kan zijn dat hij die al gedeeltelijk had uitgewerkt voor de pestperiode in Cambridge. De universele zwaartekracht had hij toen nog niet ontdekt, om daartoe te komen had hij nog een heel denkproces af te leggen. Maar in tegenstelling tot de meeste zogenaamd beroemde verhalen over grote ontdekkers die meestal pure verzinsels zijn, beschikken we over een aantal bronnen uit die tijd zelf die het verhaal bevestigen van Newton die in zijn tuin een appel uit de boom zag vallen en zo tot een fundamenteel nieuw inzicht kwam. We kunnen dus gerust aannemen dat het verhaal van de appel klopt. Het inzicht dat Newton daardoor kreeg was dat de baan die de Maan om de Aarde beschrijft en de val van de appel naar de Aarde in wezen op één en hetzelfde teruggaat. Wat dat één en hetzelfde precies was, dat was voor Newton nog lang niet duidelijk.

Hij heeft dat toen laten rusten om zich verder te verdiepen in zijn theologische en alchemistische zoektocht, die voor hem van het allergrootste belang was. En het was pas heel wat jaren later, toen hij al in de veertig was, dat hij de draad weer opnam. Dat gebeurde eerder bij toeval, deels door toedoen van de moeizame correspondentie die hij voerde met Robert Hooke, maar vooral door het bezoek dat Edmond Halley hem in Cambridge bracht in augustus 1684. Dat bezoek vloeide voort uit een discussie in een Londens koffiehuis eerder datzelfde jaar na een bijeenkomst van de Royal Society. Halley zat er samen met Robert Hooke en de architect Christopher Wren, waarbij deze laatste een mooie geldsom beloofde aan degene die een bewijs kon voorleggen over welke baan een planeet zou beschrijven, uitgaande van een centrale en stationaire Zon waarvan de aantrekkingskracht kwadratisch afneemt met de afstand. Zoals we hem kennen verklaarde Hooke meteen dat hij kon bewijzen dat het om ellipsen gaat, maar vervolgens kwam hij nooit met een bewijs op de proppen. En dat is de reden waarom Halley besloot om een bezoek te brengen aan professor Newton die toch al wel enige bekendheid genoot in de schoot van de Royal Society. Newton antwoorde op de vraag van Halley meteen dat een dergelijke baan niet anders kon zijn dan een ellips. Hoe hij dat zo zeker kon weten? Omdat hij het had uitgerekend. Dat had hij namelijk vijf jaar eerder gedaan naar aanleiding van zijn briefwisseling met Hooke. Maar zoals we Newton kennen had hij die berekeningen natuurlijk niet openbaar gemaakt. Halley van zijn kant begreep maar al te goed dat er een hemelsbreed verschil is tussen beweren en bewijzen. Hooke kon dan wel met veel zelfzekerheid een enigszins beredeneerd vermoeden poneren, maar aan een wiskundig onderbouwd bewijs kwam hij nooit toe. En daarom wou Halley dat bewijs ook graag effectief te zien krijgen. Newton ging op zoek in zijn kast met persoonlijke aantekeningen – dat moet een enorme ladekast geweest zijn waarin hij al zijn verhandelingen voor eigen gebruik opborg. Tot dan had Newton vrijwel niets gepubliceerd, hij was daar buitengewoon terughoudend in voor redenen waarover we het nu niet zullen hebben. Hij vond het bewuste document echter niet meteen – of deed alsof hij het niet kon vinden, maar beloofde Halley dat hij hem het bewijs weldra zou opsturen. Het duurde dan nog wel enkele maanden, maar in november ontving Halley bij hem thuis in Londen een document van de hand van Newton. En wat zag Halley? De tekst die Newton hem toegestuurd had, was niet zomaar een bewijs, het was niets minder dan de grondslag van onze moderne dynamica.

 

Halley zag daar waarschijnlijk meteen de draagwijdte van in?

 

Halley was een zeer intelligent iemand, het kan haast niet anders dan dat hij meteen besefte wat een gigantisch denkwerk Newton gepresteerd had. Hij is toen in ieder geval meteen terug naar Cambridge gegaan en heeft door zijn enthousiasme Newton gemotiveerd om werkelijk tot op de bodem en op een consistente manier alles uit te zoeken i.v.m. de wetten volgens dewelke objecten bewegen op Aarde en in het heelal. Het idee van een mysterieuze universele gravitatie waarbij echt alle materie die in het universum aanwezig is elkaar aantrekt, was toen wel zeker een heel revolutionaire gedachte. En wat aanvankelijk een vermoeden was nam in de geest van Newton geleidelijk de vorm aan van een wetenschappelijke theorie die zich laat kwantificeren via de omgekeerde kwadraatswet. Bij de uitwerking daarvan stootte hij nog op een hoop conceptuele problemen waar Hooke nooit zelfs maar een vermoeden van heeft gehad, het is niet voor niets dat de briljante Newton er zich twee en een half jaar in vastgebeten heeft.

Met het oog op de publicatie ervan kreeg Halley delen 1 en 2 van de Principia toegestuurd, en uiteraard kon hij het niet laten om in Londen tegenover de leden van de Royal Society te verkondigen wat een indrukwekkend boek Newton aan het schrijven was en ook waarom het zo’n belangrijk boek zou worden. Dat was in de lente van 1686. Dit nieuws kwam Hooke ter ore, en die begon meteen uit te bazuinen wat een onrecht hem aangedaan was, want dat die ideeën eigenlijk van hem afkomstig waren.

 

En zo belanden we dan bij de beruchte brief van 20 juni 1686 van Newton aan Halley waar u het aan het begin van uw boek over hebt?

 

Inderdaad, Halley probeerde hem aanvankelijk zo tactvol mogelijk van het zielige getier van Hooke in kennis te stellen – en Halley zat werkelijk boordevol tact, maar hij kon Newtons enorme woede-uitbarsting niet voorkomen. Die brief staat inderdaad bol van woede en verontwaardiging. En het gaat in essentie over het fundamentele verschil tussen het louter beweren en speculeren van Hooke tegenover het wiskundige bewijzen van Newton. Daarna heeft hij met Hooke trouwens nooit meer enig contact willen hebben. Sterker nog, de publicatie van zijn Opticks, een werk dat hij in wezen klaar had in 1675, heeft hij uitgesteld tot 1704 omdat Hooke in 1703 overleden is. Zo was hij ten minste zeker dat er vanuit die hoek geen gezeur en gejammer zou volgen.

 

De relatie tussen Newton en Huygens was van een heel andere aard.

 

Er was om te beginnen veel wederzijds respect tussen beide geleerden. Wat Huygens en Newton gemeen hadden was zeker hun superieure wiskundetalent. Weliswaar heeft Huygens zich nooit echt gewaagd aan de differentiaal- en integraalrekening die hij via zijn leerling Leibniz leerde kennen, en dat was in grote mate te wijten aan het feit dat Huygens zelf een virtuoos was in het oplossen van afzonderlijke meetkundige problemen. Dat volstond voor hem. Dat je met die nieuwe methodische aanpak bepaalde wiskundige problemen kon oplossen door ze voor te stellen als deelproblemen, iets waarmee je dus tot resultaten kwam die voor de klassieke benaderingsaanpak van Huygens buiten bereik lagen, heeft hij niet ingezien.

Maar Huygens en Newton deelden een zelfde fundamentele overtuiging, namelijk dat veel problemen uit de natuurfilosofie zich enkel op een betrouwbare manier laten oplossen door gebruik te maken van de wiskundige weg, op die manier kom je stukken verder dan via de speculaties van mensen als Hooke.

Zeker is dat Huygens enorm onder de indruk was van Newtons Principia. Het verhaal gaat – maar we beschikken niet over een echt duidelijke bron om dit verhaal te bevestigen – dat toen de grote filosoof John Locke aan Huygens de vraag had voorgelegd of de wiskunde van Newton in de Principia allemaal wel klopte, Huygens geantwoord zou hebben dat de wiskunde ervan voortreffelijk is, maar dat hij Newtons idee van zwaartekrachtswerking op afstand echter niet kon bijtreden. Nou ja, Huygens was hoe dan ook een cartesiaan, het eerste boek dat hij ooit gelezen had over hoe de natuur in mekaar steekt was de Principia Philosophiae, een boek van Descartes dat in 1644 verscheen en veel invloed had in de intellectuele milieus van de zeventiende eeuw.

 

Was Descartes geen huisvriend van de familie Huygens?

 

Van vader Constantijn, jazeker. Christiaan is in de loop der jaren meer en meer afstand gaan nemen van bepaalde denkbeelden van Descartes, vooral omdat zijn wiskundige benaderingswijze in de traditie van wat Galilei deed in een gespannen verhouding kwam te staan met een aantal natuurfilosofische speculaties van Descartes, bv. over de baanbewegingen van planeten en over de botsingtheorieën van materiedeeltjes. Maar toch is Christiaan Huygens zijn leven lang aan het basisuitgangspunt van Descartes blijven vasthouden, namelijk dat de wereld bestaat uit materiedeeltjes die ten opzichte van elkaar bewegen, en die bewegingsmechanismen vormen de uiteindelijke verklaringsgrond van de hele natuur. In de Principia kwam Newton met het idee van krachten als onafhankelijke verklaringsgrond, en dat is voor Huygens nooit acceptabel geweest. Over die krachtwerking zelf viel volgens hem best te praten, maar hij wou weten wat daar dan het onderliggend materieel mechanisme van was. Die zogenaamde ‘actio in distans’, werking op afstand, daar kon hij echt niet bij. Er moest volgens hem hoe dan ook een deeltjesmechanisme werkzaam zijn. Huygens heeft dus wel degelijk de grootheid van Newton ingezien, maar hij zat te veel met zijn eigen vooroordelen om Newtons ideeën tot in het uiterste te aanvaarden.

In 1690, drie jaar na het verschijnen van de Principia, kwamen er van Huygens twee boeken uit. Het eerste was zijn Traité de la Lumière, wat uiteindelijk zijn bekendste werk zou worden. Die verhandeling over het licht vloeide voort uit een lezing die hij had gehouden tijdens de periode dat hij in Parijs verbleef. Dat was in de hoedanigheid van directeur van de Franse Académie des Sciences in dienst van koning Lodewijk XIV. In diezelfde periode omstreeks 1668 had Huygens ook een lezing gehouden over de oorzaak waarom dingen zwaar zijn. Die theorie heeft hij verder uitgewerkt en in 1690 als boek laten verschijnen onder de titel Discours de la Cause de la Pesanteur. Dat was duidelijk een demarche van hem om te laten zien hoe je zwaarte kan verklaren uit een bepaald mechanisme van deeltjes in beweging en zo met een alternatief te komen voor Newtons universele zwaartekrachtstheorie uit de Principia. Maar het is helaas voor hem zijn zwakste boek geworden. Hoe belangrijk de Principia voor hem was bleek ook uit het feit dat de correspondentie die Huygens en zijn oud-leerling Leibniz voerden tot Huygens’ dood in 1695 voor het belangrijkste deel handelde over de ideeën waarmee Newton in de Principia voor de dag kwam.

Maar Huygens en Newton mochten dan wel concurrenten zijn op het vlak van hun natuurwetenschappelijke opvattingen, vast staat wel dat Christiaan samen met zijn broer Constantijn junior in 1689 tijdens hun bezoek in Londen bij de nieuwe Engelse koning Willem III van Oranje-Nassau toen die met zijn vrouw Maria Stuart de troon had overgenomen gelobbyd hebben om Newton een mooi baantje te bezorgen. Dat is toen niet gebeurd, maar enkele jaren later verkoos Newton het provinciale Cambridge te ruilen voor de hoofdstad, en in 1696 werd hij daar eerst benoemd tot Warden of the Mint en in 1699 tot Master of the Mint, directeur van de nationale bank. In ieder geval hebben de broertjes Huygens wel hun best gedaan voor Newton, dus de persoonlijke verhouding kan niet echt slecht zijn geweest. Het is alleen doodjammer dat we geen enkel verslag hebben van de ontmoeting tussen Christiaan Huygens en Newton, we hebben geen enkel idee hoe dat contact is verlopen en waarover beide wetenschappers gesproken hebben. Maar hun relatie werd alleszins door wederzijds respect gekenmerkt, en dat was totaal anders dan de relatie tussen Newton en Hooke, maar ook die tussen Huygens en Hooke.

 

Men beschouwt de Principia terecht als één van de belangrijkste wetenschapsboeken die ooit gepubliceerd werden, maar om de Principia gedrukt te krijgen zat Halley met een serieus probleem, nietwaar?

 

Inderdaad. We hadden het daarnet al over het bezoek dat Halley in augustus 1684 aan Newton had gebracht in Cambridge met een concrete vraag over de planeetbewegingen, en hoe hij dan enkele maanden later een gefundeerd antwoord had ontvangen. Toen hij die brief onder ogen kreeg, Newtons uiteenzetting in slechts negen bladzijden met daarin een wiskundig onderbouwde elementaire dynamica, keerde hij spoorslags weer naar Cambridge. Halley had immers het idee opgevat om Newton op basis van die brief een uitgebreid artikel te laten schrijven voor de Philosophical Transactions van de Royal Society. Die Philosophical Transactions was eigenlijk het eerste tijdschrift ter wereld dat exclusief over wetenschap ging.

Newton was echter zo in de ban van het onderwerp dat zijn brief aan Halley niet zomaar een artikel zou worden, hij was vastbesloten om er een heel boek aan te wijden. Halley was al even enthousiast, hij besefte immers meteen de draagwijdte van het project, en daarom deed hij de toezegging dat de Royal Society de publicatie van het boek op zich zou nemen. Maar er was een probleem: Halley was wel verbonden aan de Royal Society, maar als klerk, een eerder ondergeschikte functie. Hij had dus in feite helemaal niet zoveel te zeggen wat de besteding van de fondsen van de Royal Society betreft. Het was de Council die daarover besliste, een bestuurscommissie, en zij wisten maar al te goed dat hun kas leeg was. Om te beginnen beschikten zij nooit over grote sommen geld, en bovendien bleken die grote geesten die zich zo graag met wetenschap bezighielden niet meteen grote commerciële talenten te zijn. Ze hadden immers net bijna al hun financiële middelen gestopt in de publicatie van de Historia Piscium van Willughby en Ray, een prachtig en rijkelijk geïllustreerde verhandeling over vissen, helemaal in de natuurhistorische traditie van Francis Bacon met een beschrijving van alle mogelijke soorten vissen met hun kenmerken, onderlinge verschillen, gedragingen, enzovoort. Het was een schitterend boek, dat is zeker, maar toen het in 1686 verscheen raakte men het niet aan de straatstenen kwijt. Het werd een totale flop, en de Royal Society had geen cent meer. En zo zag de Royal Society zich genoodzaakt te verzaken aan de belofte aan Newton om voor de publicatie van zijn boek te zorgen. Maar gelukkig was er Edmond Halley, hij zorgde er dan maar op eigen houtje en met zijn eigen fortuin voor dat de Principia kon gedrukt en gepubliceerd worden. En dat gebeurde in 1687. Intussen zat de Royal society nog steeds opgescheept met enorme stapels van de Historia Piscium die ergens op zolder lagen te verkommeren. En omdat de Royal Society er tegen die tijd niet meer in slaagde om Halley een salaris te betalen, stelden ze voor om hem uit te betalen in – o ironie – onverkochte exemplaren van hun Historia Piscium.

Nu ja, Halley heeft dat allemaal wel overleefd. En de Principia zelf werd trouwens ook niet meteen een bestseller, hoor. De oplage van die eerste druk bedroeg vijfhonderd stuks, wat rijkelijk veel was voor die tijd. Het is niet voor niets dat het een kwarteeuw heeft geduurd voor er een tweede editie kwam.

 

Ik dacht tot voor kort dat de ideeën van Newton via Voltaire op het Europese continent waren terecht gekomen, maar die eer komt eigenlijk toe aan een landgenoot van u?

 

Zeer zeker, buiten Engeland is Willem Jacob ’s Gravesande voor zover we weten de eerste verbreider van het gedachtengoed van Newton geweest. Hij nam in 1715 deel aan een diplomatieke missie vanuit Nederland naar het koninklijk hof in England, en omdat hij als natuurkundige uiteraard veel belangstelling had voor de beoefening van de natuurwetenschappen aan de andere kant van de Noordzee raakte hij bevriend met Newton. Een paar jaar later werd ’s Gravesande hoogleraar in de natuur- en sterrenkunde aan de universiteit van Leiden, en zo kon hij via zijn onderricht de denkbeelden van Newton verspreiden. Voltaire heeft trouwens nog les bij hem gevolgd toen hij weer eens in ballingschap was, dit keer in Nederland.

Er verscheen onlangs een boek van Ad Maas en Eric Jorink over dit onderwerp onder de titel ‘Newton and the Netherlands’. Goed nieuws voor de lezers van jullie tijdschrift is dat de digitale versie ervan gratis te downloaden is. De auteurs stellen dat het binnenhalen van de ideeën van Newton in Nederland een zet is geweest tegen de leer van Spinoza, die werd gezien als een verkapte vorm van atheïsme. En dan komt de natuurfilosofie van Newton natuurlijk goed van pas, omdat er in zijn wereldbeeld wel een prominente plaats is voor een persoonlijke God die verantwoordelijk is voor alle wetmatigheden in het universum.

Maar om terug te komen op de verspreiding van het denken van Newton in de rest van Europa, die is dus in eerste instantie van Nederland uitgegaan, maar heeft natuurlijk een enorme boost gekregen toen de invloedrijke Voltaire en zijn minnares madame du Châtelet zich in Frankrijk als vurige pleitbezorgers begonnen te manifesteren. Die madame du Châtelet was trouwens een uitstekende wetenschapster van uitzonderlijk hoog niveau.

 

Alleszins hartelijke dank, professor Cohen, voor het boeiend gesprek, en veel succes met uw verdere onderzoek en publicaties!