2014-01 MIRA Ceti sprak met... Nienke van der Marel


Ons zonnestelsel met de Zon en de planeten die er rond draaien is ontstaan uit een grote gas- en stofwolk die ten gevolge van de zwaartekracht is beginnen samentrekken. Deze kennis is intussen al jaren gemeengoed, en het lijkt dan ook alsof sterrenkundigen over de vorming van ons zonnestelsel zowat al weten wat er te weten valt. Maar dat idee klopt niet. Over de grote lijnen van het verhaal mag er dan al wel heel wat geweten zijn, over de details is nog veel onduidelijkheid.

Een jonge astronome die hard meezoekt naar antwoorden op de vele vragen die er op dit vlak nog zijn is Nienke van der Marel (°1986). Zij is als doctoraatstudente in de sterrenkunde verbonden aan de universiteit van Leiden. Op 7 juni 2013 verscheen een ophefmakend artikel in Science waarin Nienke en haar team een belangrijke ontdekking presenteerden over een zogenaamde stofval in de schijf van gas en stof rond de ster Oph IRS 48. Ze maakten voor die ontdekking gebruik van de indrukwekkende ALMA-telescoop die de Europese zuidelijke sterrenwacht ESO de voorbije jaren in Chili liet bouwen.

Over dat prachtige telescopencomplex in Zuid-Amerika en over haar ontdekking sprak MIRA Ceti via Skype met de sympathieke Nienke van der Marel.

 

Nienke Van der MarelNienke, voor jouw onderzoek naar het stof in schijven rond jonge sterren maak jij gebruik van het ALMA-project in Chili. Wat is het belang van ALMA?

 

ALMA is een letterwoord en staat voor Atacama Large Millimeter/submillimeter Array. Het is zoals de naam het zegt een Array, dat wil zeggen een rij van radiotelescopen waarbij de schotelantennes in diameter variëren van 7 tot 12 meter. Het zijn maar liefst 66 stuks, en ze vormen door hun nauwkeurige opstelling een reusachtige interferometer. Het is mogelijk om met ALMA waarnemingen te doen in het gebied van het elektromagnetische spectrum dat loopt van 10 millimeter tot 350 micrometer, de zogenaamde submillimetergolflengtes. Het hele project staat opgesteld ruim vijfduizend meter boven zeeniveau in de Atacamawoestijn in het noorden van Chili. We bevinden ons daar in een hoogst onherbergzame omgeving, niet echt geschikt om een leuke vakantie door te brengen, maar op die hoogte bevinden de instrumenten zich boven het grootste deel van de waterdamp in de aardatmosfeer die zeer nadelig is voor het waarnemen van millimeter- en submillimeterstraling uit de ruimte. De schotelantennes van ALMA zijn mobiel en kunnen opgesteld worden in configuraties die gaan van 150 meter tot 14 kilometer. Zodoende krijgen we een telescoop die veel beter presteert dan om het even welk vergelijkbaar project. ALMA heeft bijvoorbeeld een spatiële resolutie van 10 milliboogseconden, wat vijf maal beter is dan die van de Hubble-ruimtetelescoop, en bijgevolg is het mogelijk om met ALMA dingen te observeren die voordien onzichtbaar waren.

In het geval van de stofschijven rond jonge sterren waar ik aan werk maakt die hoge spatiële resolutie het mogelijk om zodanig in te zoomen in een dergelijke protoplanetaire schijf dat je details kan zien die klein genoeg zijn om een idee te krijgen welke processen er zich afspelen dichter bij de jonge ster in kwestie en verder weg van het centrum waar de ster zich uiteraard bevindt.

De officiële opening van ALMA vond trouwens nog niet zo lang geleden plaats: op 13 maart 2013. ALMA is een groots internationaal project waarbij Europa middels de ESO samenwerkt met de Verenigde Staten, Canada, Japan, Taiwan en Chili. De kosten worden door die partners gedragen, en ook het onderzoek gebeurt door universiteiten en instituten uit die landen.

 

Waarbij Nederland toch wel een prominente rol speelt in het hele project?

 

Ja zeker. Er zijn door de betrokken landen een aantal regionale centra opgericht die het efficiënt functioneren van ALMA moeten garanderen, en daarin speelt onze universiteit in Leiden een belangrijke rol. Voorts heb je SRON, de Space Research Organization Netherlands, dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling, bouw en installatie van de hoge frequentie ontvangers van ALMA. Van 2008 tot eind maart 2013 was de Nederlander Thijs De Graauw directeur van ALMA, en het is zeker mede door zijn bezielende aanpak dat de realisatie van het project zo voorspoedig is verlopen. Het is trouwens toen hij directeur was dat ALMA begon met de eerste waarnemingen. En daarnaast is ook het hoofd van de ESO een Nederlander, Tim de Zeeuw, en ESO is uiteraard een belangrijke partner in het hele ALMA-project.

 

Nederland heeft altijd aan de top gestaan op het gebied van radiosterrenkunde?

 

Maar dat gebeurde toen met instrumenten die waarnemingen deden op veel langere golflengten. De instrumenten waren technologisch veel minder geëvolueerd, maar vooral ook het klimaat hier in Nederland is absoluut ongeschikt om waarnemingen te doen in het submillimetergebied.

 

Er is sinds enkele jaren natuurlijk wel het fameuze LOFAR-project waarmee Nederland opnieuw aan grensverleggende radiosterrenkunde doet.

 

Oké, maar de doelstellingen van dat project zijn wel totaal anders dan bij ALMA het geval is. Bij LOFAR gaat het onder andere om het bekomen van informatie over het jonge heelal waarbij men licht wil waarnemen van de eerste sterren en sterrenstelsels die na de Oerknal zijn ontstaan, en dit op veel langere golflengten. Het onderscheid zit in feite in de hoeveelheid waterdamp in de atmosfeer, en de negatieve invloed daarvan op de waarnemingen verschilt van golflengte tot golflengte. Voor LOFAR is die invloed heel klein, en bijgevolg kan je dus ook in Nederland een dergelijk netwerk van detectoren bouwen, terwijl voor de golflengten waarop ALMA waarnemingen doet de invloed van waterdamp juist heel sterk is. Waterdamp wordt door de atmosfeer in hoge mate geabsorbeerd. Om een locatie te vinden waar het heel droog is opteert men daarom best voor een omgeving die zo hoog mogelijk gelegen is. Vandaar dat de Atacamawoestijn de locatie is waar ALMA opgesteld staat. De site ligt op 5000 m hoogte, ALMA zit daar dus hoog en droog zeg maar. Voor de mens is dat uiterst onherbergzaam, maar de telescopen gedijen daar prima.

 

Ben jij zelf ook al in Chili gaan waarnemen?

 

Ja, ik ben naar de APEX-telescoop geweest, die staat ook in de Atacamawoestijn op slechts twee km van het ALMA-telescopenpark vandaan. Als je daar waarnemingen doet kijk je uit op ALMA. APEX staat voor Atacama Pathfinder Experiment Telescope, het is een schoteltelescoop van de ESO met een diameter van 12 m om – net zoals bij ALMA het geval is – licht waar te nemen op golflengten in het millimeter- en submillimetergebied tussen het infrarode licht en de radiogolven in. De schotelantenne van APEX en die van ALMA zijn van een zelfde type, maar APEX werd wel degelijk gebouwd om alleen te functioneren. Maar door het weidse gezichtsveld van APEX ontdekt het project geregeld objecten waarbij het nuttig is dat ALMA er een meer gedetailleerde blik op werpt. Op die manier zijn beide projecten complementair.

Ik ben ook een aantal keren gaan waarnemen op La Palma, zowel met de grote William Herschel Telescope als met de wat kleinere Isaac Newton Telescope. In Spanje kon ik vier nachten werken met de IRAM 30 m telescoop in de buurt van Granada, en in Californië ben ik ook bij het telescopenproject CARMA geweest, wat staat voor Combined Array for Research in Millimeter-wave Astronomy.

 

Op het gebied van exoplaneten zijn we de laatste jaren wel erg verwend: sinds in de jaren 1990 de eerste planeten rond andere sterren werden ontdekt zitten we vooral dankzij de Kepler-ruimtetelescoop van de NASA momenteel al aan meer dan duizend gekende exoplaneten, waarvan een heleboel in een systeem met meerdere planeten rond eenzelfde ster. Heeft men intussen al een bepaalde systematiek ontdekt? Ons zonnestelsel met eerst rotsachtige en dan gas- en ijsreuzen in een platte schijf bij de Zon is misschien niet zo typisch als aanvankelijk gedacht?

 

We hebben natuurlijk wel een beetje een vertekend beeld van al die extrasolaire planetenstelsels, die zien er inderdaad heel anders uit dan ons zonnestelsel met heel zware reuzenplaneten van het type Jupiter soms extreem dicht bij hun moederster. Van dat soort stelsels zijn er intussen heel veel ontdekt, maar die zijn ook het gemakkelijkst om op te sporen, dus is het ook logisch dat er daar meer van bekend zijn dan van de andere soorten. Het is wel niet echt mijn vakgebied, maar voor zover ik er zicht op heb is er op dat vlak nog geen systematiek gevonden waar we mee verder kunnen. Dat er heel veel variatie is in planetenstelsels is inmiddels wel duidelijk. De vragen die we ons vervolgens dienen te stellen zijn hoe die verschillende soorten stelsels kunnen ontstaan. Wat zijn de moeilijkheden om reuzenplaneten heel dicht bij of heel ver van een ster te vormen? Veel hangt daarbij af van welke planeetvormingstheorie je als astronoom gelooft. En met behulp van modellen die voorspellen dat planeten na hun ontstaan weg kunnen migreren van de plaats waar ze zijn ontstaan - en dat kan zowel gaan om migratie naar binnen als naar buiten - kan je in feite elk mogelijk type planetenstelsel vormen. Maar het is toch een branche in de sterrenkunde die vrij nieuw is, en er zijn nog heel veel vragen op te helderen over planeten en planetenstelsels buiten ons zonnestelsel.

 

En dan kom jij er aan, samen met jouw team, om in verband met de evolutie van stofschijven rond jonge sterren een belangrijke ontdekking te doen. Welgemeende felicitaties daarvoor! Kan je ons een en ander over vertellen over hetgeen jullie precies ontdekt hebben?

 

Jazeker. Ik doe, zoals je net komt te zeggen, onderzoek naar schijven van gas en stof rond jonge sterren. We denken dat zulke schijven ontstaan wanneer de oorspronkelijke wolk van gas en stof die onregelmatig van vorm is door een of ander proces van binnenuit of van buitenaf begint samen te trekken. Die gigantische hoeveelheden materiaal die door de eigen zwaartekracht steeds dichter naar het centrum toe vallen zorgen voor een zodanige toename van de druk in het midden van de wolk dat er uiteindelijk kernfusie optreedt, en zo krijgen we de geboorte van een nieuwe ster. Nu is het zo dat al die naar binnen vallende gas- en stofdeeltjes elk een minieme hoeveelheid rotatie met zich meevoeren, en finaal zullen al die draaiende en wervelende deeltjes elkaar uitmiddelen tot er rondom de ster een afgeplatte schijfvormige structuur overblijft. De stofdeeltjes waar we het hier over hebben zijn echt heel klein, kleiner dan een micrometer. Dit betekent dat, als we van zulke minieme stofdeeltjes een planeet wil maken met een diameter van toch minstens duizend kilometer, ze meer dan twaalf grootteordes moeten groeien, en dat is enorm.

Als we proberen berekeningen te maken op basis van onze bestaande fysische modellen hoe die stofdeeltjes in de schijf gaan evolueren, nemen we aan dat de stofdeeltjes niet alleen rond de centrale ster aan het cirkelen zijn, maar daarnaast ook nog een aantal random bewegingen maken, dus zullen ze af en toe al wel eens een ander deeltje tegenkomen. Als beide deeltjes dan tegen elkaar botsen, kunnen ze eventueel ook aan elkaar blijven plakken. Op die manier zouden er zich daar, als je maar lang genoeg wacht, uiteindelijk grote rotsblokken kunnen vormen. Eens die gegroeid zijn tot ongeveer een kilometer groot gaat het steeds makkelijker, want dan hebben die rotsblokken hun eigen zwaartekrachtsveld en kunnen ze elkaar nog sneller aantrekken. Dus zodra je een model hebt ontwikkeld waarmee je dat soort grote blokken materie kan vormen, gaat planeetvorming vrij snel.

Maar vooraleer we met een dergelijk model kunnen uitpakken moeten we wel een oplossing vinden voor twee problemen die ervoor zorgen dat het groeien van deeltjes in een gas- en stofschijf rond een jonge ster toch niet zo efficiënt verloopt.

Het eerste probleem doet zich voor wanneer die groter wordende deeltjes tegen elkaar aanbotsen in de ronddraaiende schijf. Als dat gebeurt aan hoge snelheid is de kans groot dat ze weer in kleinere stukjes uit elkaar vallen, dat is het probleem van de zogenaamde stoffragmentatie.

Het tweede probleem is ietsje ingewikkelder, en heeft te maken met het feit dat er ook nog steeds heel wat gas in de schijf zit. Dat gas is verdeeld in die schijf, maar de dichtheid is natuurlijk het hoogst dicht bij de ster zelf, wat betekent dat ook de druk het hoogst is in de nabijheid van de ster. We noemen dat de drukgradiënt van het gas die naar buiten toe vermindert. Gevolg is wel dat daardoor het gas eigenlijk iets te langzaam rond de ster draait. Je zou denken: de ster zit in het midden, de zwaartekracht neemt af naarmate we van het centrum weg bewegen, met als gevolg dat alles wat rond de ster draait dit doet volgens de wetten van Kepler, dat wil zeggen de snelheid waarmee alles rond de ster draait neemt af naarmate de afstand tot de ster groter wordt, dat is een vrij eenvoudige relatie. Maar omdat er in het gas een drukgradiënt zit, krijgt het gas eigenlijk een extra snelheidscomponent die het een beetje afremt. We hebben het nu over 0,1 procent, dat is dus maar een heel klein beetje, maar het betekent wel dat de aanwezige gasmoleculen toch langzamer rond de ster gaan draaien dan zou moeten op basis van de wetten van Kepler. De allerkleinste stofdeeltjes zijn daar minder gevoelig voor, maar voor de stofdeeltjes die intussen wat groter geworden zijn is er ten gevolge van die drukgradiënt duidelijk sprake van wrijving met het gas, waardoor ze draaimoment verliezen, en vervolgens heel snel naar binnen vallen. Zo komen ze uiteindelijk in de ster zelf terecht, en dan ben je ze definitief kwijt want de ster is natuurlijk veel te heet om ze daarin te laten overleven. Dat naar binnen vallen noemen we in ons jargon 'radial drift' of in het Nederlands 'radiële drift', en is al tientallen jaren een probleem in theorieën over de evolutie van stof in de schijven rond jonge sterren. Want zelfs als je deeltjes wat groter kan laten groeien, ben je ze gauw weer kwijt als ze door die radiële drift kort nadat ze ontstaan zijn naar binnen toe bewegen.

Om dat probleem op te lossen werd er gespeculeerd over mogelijkheden waarmee men die fatale drift naar binnen zou kunnen omzeilen. Daarom werden er voorspellingen gedaan over het mogelijk bestaan van een lokaal hogedrukgebied ergens in de schijf maar wel buiten het centrum ervan. Als dat inderdaad zo zou zijn, zouden de stofdeeltjes daarnaartoe kunnen bewegen en daar dan blijven vastzitten, zodat ze niet langer riskeren door de centrale ster opgeslokt te worden, maar in die lokale materieverdichting tijd hebben om verder gestaag te blijven groeien. Een gebied in de jonge stofschijf waar dat kan gebeuren noemen we een stofval. En het is precies een dergelijke stofval die wij met onze ALMA-waarnemingen ontdekt hebben.

Op 7 juni 2013 konden wij een artikel over deze ontdekking publiceren in het gerenommeerde tijdschrift Science, en dat artikel kreeg de nodige aandacht in wetenschappelijke kringen, maar ook in de Nederlandse pers. Op de foto die we met ALMA maakten van de stofschijf rond ster Oph IRS 48 is duidelijk een reusachtig gebied te zien waar de grotere stofdeeltjes geconcentreerd zitten, met andere woorden een echte stofval. Vanuit ons perspectief bekeken situeert die zich aan de zuidkant van de schijf, en de dichtheid van het stof is er honderden keren groter dan aan de noordkant van de schijf waar stofdeeltjes zitten van maximaal enkele micrometer groot. Wat wij publiceerden is het eerste echt overtuigende bewijs dat stofvallen in schijven rond jonge sterren wel degelijk bestaan, ze waren al eerder voorspeld maar nog nooit eerder waargenomen. In het kort is dat zo een beetje het verhaal van onze ontdekking.

 

Fraai resultaat en welgemeende felicitaties! En nu komt er ongetwijfeld vervolgonderzoek om te zien of dergelijke stofvallen ook in andere stersystemen ontdekt kunnen worden?

 

Inderdaad.

 

Zijn jullie daar al mee bezig?

 

Ja, want zoals je wel weet moet je als onderzoeker bij grootschalige projecten als ALMA altijd goed op voorhand je waarnemingsvoorstellen indienen. Alles wordt vastgelegd in een planning die loopt over een gans jaar, dus voor ons eerste voorstel hadden we data aangevraagd voor die ene schijf rond ster Oph IRS 48. Voor het daarop volgende jaar hadden we drie bronnen aangevraagd om vergelijkbare waarnemingen te kunnen doen aan de schijf van gas en stof rond gelijkaardige jonge sterren. Ook dat voorstel is geaccepteerd, en daarvan hopen we de waarnemingsresultaten voorjaar 2014 te krijgen.

 

Hoe groot is jullie onderzoeksgroep?

 

Hier aan de universiteit van Leiden ben ik werkzaam in de zogenaamde groep astrochemie. We zijn met zo'n vijftien personen en ieder van ons voert zijn eigen onderzoek. Voor mijn project aan die stofvallen werk ik vooral samen met mensen uit andere instituten, uit Duitsland, de VS, Ierland, Chili en ook uit China, en dat is ongeveer tien à twaalf man in totaal.

 

Heeft men sinds het idee opgeld maakt dat planeten kunnen migreren een klaardere kijk op de evolutie van het zonnestelsel vanaf het stadium waarin de planeten reeds gevormd zijn?

 

Dat is niet meteen hetgeen ik zelf onderzoek. Feit is dat we in allerlei planetenstelsels bij andere sterren de meest verscheiden configuraties zien van exoplaneten, en in feite maakt het niet zoveel uit waar een planeet ontstaat als er nadien de mogelijkheid is dat die in het stelsel kan gaan migreren.

Wat ons eigen zonnestelsel betreft circuleren er een aantal hypothesen i.v.m. de migraties van de reuzenplaneten, maar er zijn zeker nog een heleboel zaken die moeten uitgeklaard worden. En ons verhaal met de stofval heeft niks te maken met de migrerende planeten.

 

Reconstrueren van al wat er zich in de eerste fazen van de ontwikkeling van het zonnestelsel afspeelde is toch schier onmogelijk?

 

Zo is het. In ons model gaan we overigens uit van het idee dat er in het binnenste deel van de schijf op een of andere manier al een grote planeet is gevormd, en die kolos veegt het materiaal in zijn eigen baan bij mekaar. Op die manier ontstaat er een gat in de gasverdeling en op de rand van dat gat zou een hogedrukgebied ontstaan waar de deeltjes dan naartoe bewegen. Zodoende kunnen we ook een verklaring geven hoe stofdeeltjes ondanks de daarnet geschetste problemen steeds meer in volume kunnen toenemen, maar het verklaart nog niet waar die eerste planeet dan vandaan komt. In dat opzicht is deze theorie nog geen verklaring voor alle problemen binnen het vraagstuk van de planeetvorming. Maar het idee is in elk geval dat als het op die manier lukt om een eerste planeet te vormen, de rest wel vanzelf volgt, en dan krijg je uiteindelijk een heel stelsel van planeten en kleinere objecten die rond een centrale ster draaien.

Als we naar ons eigen zonnestelsel kijken, is het best een aannemelijk scenario te bedenken dat Jupiter wellicht vlak bij de Zon is gevormd, vervolgens in de schijf daarbuiten de kleinere planeten is gaan vormen met deze stofvallen, en nadien naar buiten is gemigreerd, dat is in principe heel goed mogelijk. Maar het is inderdaad niet eenvoudig om via allerlei indirecte aanwijzingen te achterhalen of het scenario zich effectief zo heeft afgespeeld.

 

Ben jij als jonge astronome ook geïnteresseerd in onderzoeksdomeinen die gaan over het heelal op grote schaal, ik denk bijvoorbeeld aan de hele zoektocht naar het al of niet bestaan van donkere materie?

 

Ik zeg niet dat het me niet interesseert, maar ik moet toch zeggen dat kosmologie en de theorieën over snaren, donkere energie, donkere materie en dergelijke me altijd toch wat minder wisten te boeien. Mijn fascinatie ligt vooral op het gebied van kijken naar hetgeen de waarnemingen opleveren en proberen daar direct dingen uit af te leiden. Op het gebied van bijvoorbeeld die donkere materie is alles nog zo vaag en onduidelijk, en in die zin heb ik daar toch minder vertrouwen in dan hetgeen we wel tastbaar kunnen onderzoeken. In principe is het zeker een fascinerende vraag of een heleboel van de materie die het heelal herbergt voor ons momenteel onzichtbaar en onbereikbaar is, maar ik zou er zelf geen onderzoek naar willen doen. In vergelijking daarmee is het onderzoek naar het ontstaan van planeten en het ontstaan van leven op planeten iets wat veel dichter staat bij onze realiteit, vandaar ook mijn interesse voor dit soort zaken en onderzoek.

 

Hoe zie je jouw carrière de komende jaren verlopen, Nienke?

 

Over een dik jaar ga ik mijn werk verdedigen en krijg ik normaliter mijn doctorstitel. Daarna ben ik van plan een postdocpositie te gaan zoeken, hopelijk lukt dat in de Verenigde Staten. Voor een normale academische carrière doe je eerst twee postdocs van een paar jaar, vervolgens probeer je dan een vaste aanstelling te krijgen aan een of ander instituut, dat is ook zo een beetje mijn streven. De competitie is heel hoog, dus het is nog even de vraag of dat gaat lukken, maar ik doe er mijn uiterste best voor en mijn werk geeft me in ieder geval ontzettend veel voldoening. Ik vraag niet liever dan dat ik dit specifieke onderzoek met die stofvallen zou kunnen verderzetten.

Zelf doe ik mijn werk op basis van waarnemingen en niet zozeer aan de hand van theoretische modellen, maar anderzijds vind ik het wel leuk om met de modellenbouwers samen te zitten en in onderling overleg te zoeken naar dingen die we kunnen testen en kunnen waarnemen om de theorieën te bevestigen of te weerleggen. Modellenbouwers zijn intelligent en kennen hun natuurkunde heel goed, maar ze weten vaak niet zo goed wat wel en niet detecteerbaar is met het instrumentarium waarover we beschikken, het is altijd erg boeiend en grensverleggend om met hen te kunnen samenwerken.

 

Dreigt door de huidige financiële toestand in de Europese Unie niet het gevaar dat de budgetten voor sterrenkundig onderzoek als minder prioritair worden beschouwd?

 

Over het algemeen gaat het goed met sterrenkunde in Nederland, en ik heb niet de indruk dat men van overheidswege aanstuurt om vooral in onze branche te besparen, ook al is het voor alle sectoren in de hele maatschappij nodig om op een verantwoordelijke manier met de beschikbare middelen om te springen.

Aan vier universiteiten zijn er instituten waar we aan sterrenkunde doen, dan heb je nog SRON, LOFAR, ASTRON en nog een aantal andere initiatieven in dit verband. En het overkoepelende orgaan dat ervoor zorgt dat er financiële middelen zijn, is NOVA, de Nederlandse Onderzoekschool Voor de Astronomie. Onlangs is er een evaluatie daarvan geweest met positief gevolg, zodat we voor de komende vijf jaar weer voldoende fondsen ter beschikking hebben. Wij doen natuurlijk ons onderzoek omdat wij sterrenkunde en al wat daarmee te maken heeft zo ontzettend boeiend vinden, maar de overheid beseft gelukkig ook wel dat hetgeen wij doen niet iets marginaal is over objecten die niets met ons te maken hebben, maar dat het wel degelijk een vorm van fundamenteel onderzoek is waar heel wat praktische toepassingen uit tevoorschijn komen.

Neem nu het voorbeeld van de adaptieve optiek die puur voor sterrenkundige doeleinden is ontwikkeld, dit omdat astronomen van op Aarde met hun reuzentelescopen toch beelden willen maken in zeer hoge resolutie maar zonder dat die beelden onbruikbaar worden door de luchtturbulentie. Adaptieve optiek zorgt ervoor dat door gebruik te maken van hoogtechnologische sensoren en de rekenkracht van sterke computers de waargenomen atmosferische trillingen als het ware weggewerkt worden zonder daardoor de kwaliteit van het waargenomen signaal vanuit de ruimte te beïnvloeden. Ik heb begrepen dat een soortgelijke techniek nu ook in de medische imaging wordt gebruikt, dat is dus een hele praktische toepassing waar de mensen concreet wat aan hebben. Voor wat betreft de ontwikkeling van de digitale camera is het verhaal gelijkaardig. Het is onder andere omdat sterrenkundigen nood hadden aan hoog kwalitatieve opnames van de door de telescopen geobserveerde hemelobjecten dat er op het vlak van de digitalisering van de fotografie zo'n spectaculaire evolutie is gebeurd waar vandaag de dag elke modale burger mee de vruchten van plukt. Wij, astronomen, zien ons voortdurend geconfronteerd met heel wat beperkingen, omdat hetgeen wij bestuderen objecten zijn die extreem moeilijk in beeld te brengen zijn of extreem ver verwijderd zijn. In dat opzicht ben je beter bioloog of vulkanoloog. Maar door die extra moeilijkheid om aan de juiste data te komen moeten wij in hoge mate beroep doen op onze spitsvondigheid en creativiteit bij onze zoektocht om steeds dieper in het heelal te kunnen kijken en zo de limieten van wat haalbaar is steeds verder op te schuiven. En zo openen zich dankzij de sterrenkunde steeds nieuwe mogelijkheden, met puur toegepast onderzoek waarbij je een bepaald specifiek probleem probeert op te lossen zou dat vaak minder goed lukken. Ik heb de stellige indruk dat onze beleidmakers in Nederland dit wel degelijk beseffen.

 

Jonge mensen blijven intussen vlotjes de weg vinden naar wat jullie in Nederland de bètawetenschappen noemen?

 

Dat is toch mooi, niet? We zien inderdaad dat studierichtingen als wiskunde, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, enzovoort niet aan populariteit inboeten, integendeel zelfs. Dat wijst erop dat jongeren graag actief mee willen werken aan de wereld van morgen. En dat kan door bij te dragen aan het wetenschappelijk onderzoek en de technologische vernieuwingen die daarmee samen hangen, denk maar aan het ALMA-project in Chili.

 

Dus dank ook aan jou, Nienke, want sterrenkundeliefhebbers als wij kijken reikhalzend mee uit naar onze dagelijkse portie nieuws van bij de sterren en planeten, waar jij mee voor zorgt. En het was een fijn gesprek, ook daarvoor dank, mede namens de lezers van MIRA Ceti.