2017-01 MIRA Ceti sprak met... Emiel Beyens


Hoera, het is 2017, dus dit jaar mogen er voor Volkssterrenwacht MIRA vijftig kaarsjes op de verjaardagstaart. In de loop van die halve eeuw is MIRA uitgegroeid tot een dynamisch centrum waar een groep medewerkers samen hard werken om jaarlijks vele duizenden bezoekers welkom te heten in de wondere wereld van sterrenkunde, ruimtevaart en weerkunde. In de loop der jaren is de infrastructuur ook geëvolueerd tot het ruime en comfortabele gebouw van vandaag met een fraaie interactieve tentoonstelling met veel maquettes en experimenten. Maar ook het grote waarnemingsterras met een collectie krachtige telescopen is een belangrijke troef waarover MIRA beschikt.

 

Op gebied van sterrenkunde is er de voorbije vijftig jaar ook enorm veel veranderd. Om die evolutie correct in te schatten, staken we ons licht op bij Emiel Beyens (°1934), wiskundige van vorming die zijn loopbaan begon aan het Instituut voor Sterrenkunde van de KU Leuven. Na een rijk gevulde carrière aan de top van Binnenlandse Zaken is hij zich ook actief gaan inzetten voor Volkssterrenwacht MIRA. Hij was jarenlang lid van de Raad van Bestuur en secretaris van de vereniging. Momenteel geeft hij rondleidingen, cursuslessen en lezingen, en schrijft hij teksten voor onze publicaties en onze website.

Hij zal het wellicht niet graag horen, maar we mogen hem toch wel met recht en rede de ‘éminence grise’ van MIRA noemen.

Emiel, dat jij een grote passie hebt voor wiskunde is iedereen op MIRA welbekend. Waar komt die passie vandaan?

Dat is moeilijk te zeggen, ik heb het gevoel dat die fascinatie voor cijfers en formules er altijd geweest is bij mij. Al tijdens mijn studies in het college van Menen was wiskunde veruit mijn favoriete vak, en het was dan ook niet onlogisch dat ik na mijn humaniora aan de universiteit wiskunde en actuariële wetenschappen ben gaan studeren. Daar bleek ten volle dat wiskunde een schitterende taal is om op een pertinente en logische manier te spreken over wetenschap. Een mooie formule zegt zoveel meer dan eender welke andere lange definitie.

Tijdens mijn studies aan de universiteit in Leuven raakte ik daarbij geboeid door sterrenkunde, en in mijn laatste jaar kon ik daarin een specialisatie volgen bij professor Van Hoof. Helaas, gedurende mijn professionele carrière had ik het zo druk dat sterrenkunde naar het achterplan verzeilde. Hoe dan ook is mijn belangstelling voor die bijzonder interessante wereld blijven voortleven, en na mijn pensionering besloot ik dan ook de draad terug op te nemen. Ik ben een aantal keren langs geweest op de Koninklijke Sterrenwacht in Ukkel, maar toen ik in het jaar 2001 in contact kwam met MIRA voelde ik meteen dat het hier in die omgeving was dat ik me thuis zou voelen.

Kan je de sterrenkunde van tijdens je studententijd, dat is half de jaren 1950, vergelijken met hetgeen wij nu over al die zaken weten en bestuderen?

Het gaat natuurlijk over hetzelfde studiedomein, maar op een halve eeuw tijd zijn er zoveel nieuwe inzichten gekomen, is er zoveel kennis bijgekomen en zijn er zoveel nieuwe rekenmiddelen dat vergelijken met vijftig jaar geleden nog amper mogelijk lijkt. Toen ik studeerde was er nog geen ruimtevaart en waren er nog geen computers. Rekenen gebeurde meestal met een rekenlat of in het beste geval met een primitieve rekenmachine.

Wij waren ook vergroeid met de klassieke natuurkunde van Newton, terwijl we nu leven in een heelal waarin de relativiteitstheorie de wereld van het grote en de kwantummechanica de wereld van het kleine beschrijft. Wij kregen aan de universiteit wel een cursus over relativiteit en kwantummechanica, maar voor ons leken dat toen nogal surrealistische ideeën en begrippen. Een meter die volgens Einstein niet altijd een meter is en een seconde niet altijd een seconde, tot daar aan toe. Maar dat de zwaartekracht moest begrepen worden als een vervorming van de ruimte leek ons net iets van het goede teveel. Dergelijke begrippen zijn ons vandaag min of meer vertrouwd, maar toen was dit nog alles behalve evident. Denk ook aan Bohr, Heisenberg, Schrödinger en nog anderen die beweerden dat de realiteit in de eerste plaats moest benaderd worden met het onzekerheidsprincipe. Men zou kunnen spreken over een soort waarschijnlijkheid die zich in een ‘onzekere’ realiteit nestelt. Die nieuwe visie op de werkelijkheid openbaarde ons een nieuwe en verwarrende wereld die wij eigenlijk niet goed begrepen. Geloof me, wij waren in onze tijd al blij als we ongehavend door die examens geraakten.

Er werd toen over de relativiteitstheorie ten andere verteld dat er wereldwijd maar enkele mensen waren die echt begrepen waarover het ging: Einstein zelf natuurlijk, Eddington en nog enkele anderen, waaronder ook de Leuvense professor Georges Lemaître. Vandaag stel ik met voldoening vast hoe, door het kwaliteitsvol populariserend werk van veel wetenschappers, al die nieuwe theorieën voor iedereen toegankelijk geworden zijn, en daar kan ook MIRA ten volle van profiteren.

Besefte men toen in Leuven dat Lemaître één van de grondleggers is van de moderne kosmologie?

Lemaître doceerde in hetzelfde gebouw waar wij les volgden. Hij doceerde er in het Frans terwijl wij daar les kregen in het Nederlands. Je kon hem daar vaak zien rondlopen. Het was een rustige, gezette figuur naar wie wij met veel respect opkeken. Zijn hypothese van het ‘atome primitif’ waaruit het heelal verder zou evolueren werd toen door sommigen wel min of meer aanvaard, door anderen werd het meer als een mathematisch curiosum beschouwd. En erger voor Lemaître, volgens zijn eerste schattingen op grond van zijn theorie zou de ouderdom van het heelal zowat twee miljard jaar bedragen, en dat minder is dan de leeftijd van onze eigen Zon. Dat kon natuurlijk niet juist zijn. Het was duidelijk dat er nog veel werk was om de theorie verder te verfijnen en de aperte contradicties weg te werken. Wat ook gebeurde in de daarop volgende decennia.

Georges Lemaître tijdens zijn lessen aan de universiteit van LeuvenGeorges Lemaître tijdens zijn lessen aan de universiteit van Leuven

Belangrijk feit in dit verband is zonder twijfel de ontdekking in 1964 van de kosmische achtergrondstraling, een overblijfsel van het allereerste licht in het heelal van kort na de oerknal. Was die ontdekking toen groot nieuws?

In wetenschappelijke middens besefte men na de toevallige ontdekking van die straling door Penzias en Wilson al gauw het enorme belang ervan, maar ik heb de indruk, voor zover ik me nog herinner, dat de media in die tijd in dat soort dingen minder geïnteresseerd waren dan nu. Het was toch allemaal vrij technisch en niet meteen toegankelijk voor niet-ingewijden. En ook dat is weer heel verschillend met wat we tegenwoordig merken. Neem bijvoorbeeld de eerste detectie van gravitatiegolven die vorig jaar wereldkundig werd gemaakt. Ik stel vast dat er vandaag meteen wetenschappers zijn die de draagwijdte van die zeer belangrijke ontdekking op een begrijpelijke manier vertalen naar de media en het grote publiek toe door middel van duidelijke publicaties en illustraties. Er is een groeiend besef in de wetenschappelijke wereld dat ook zij moeten communiceren over wat zij presteren. Ja, ik zie de laatste vijftig jaar echt wel een positieve evolutie in de popularisering van wetenschappen.

In 2017 vieren we vijftig jaar Volkssterrenwacht MIRA. Toen MIRA van start ging waren er nog geen mensen op de Maan geweest, moesten de Voyagers nog aan hun fantastische reis beginnen, waren exoplaneten een goed idee maar nog geen bewezen realiteit, enzovoort. Wat zijn volgens jou, Emiel, de belangrijkste astronomische ontwikkelingen van de voorbije halve eeuw?

Aan het begin van de twintigste eeuw had er zich binnen de natuurkunde al een ware revolutie voorgedaan. Tot dan was de natuurkunde gebaseerd op de theorie van Newton. Maar in het jaar 1900 legde Max Planck de basis voor wat zou uitgroeien tot de latere kwantummechanica, en in 1905 kwam Albert Einstein met zijn speciale relativiteitstheorie op de proppen, in 1915 uitgebreid tot de algemene relativiteitstheorie. Die twee theorieën liggen samen aan de basis van de verdere evolutie van alle natuurkunde en sterrenkunde in de twintigste eeuw en nog tot de dag van vandaag.

Maar om concreet op jouw vraag te antwoorden, zou ik de evolutie in de loop van de laatste vijftig jaar opdelen in drie pakketten.

Vooreerst had je de ophefmakende ontdekkingen op theoretisch vlak. Enkele voorbeelden. Er was medio de jaren 1960 de ontdekking door Murray Gell-Mann en George Zweig dat de gewone alledaagse materie is opgebouwd uit quarks. Het begon met up- en downquarks, en daarna volgden nog vier andere soorten quarks plus ook nog zes leptonen. Ophefmakend, want mijn generatie heeft op de schoolbanken nog geleerd dat de elementaire bouwstenen waaruit een atoomkern is opgebouwd protonen, neutronen en elektronen zijn. We wisten dat deeltjes met gelijke ladingen elkaar afstoten en het was wel moeilijk om te begrijpen waarom meerdere protonen in een zelfde atoomkern niet uit elkaar vliegen, maar daar moesten we maar mee leren leven.

In 1967 kon Steven Weinberg ook nog verklaren hoe twee van de vier fundamentele krachten van de natuur, de elektromagnetische en de zwakke kernkracht, onder bepaalde omstandigheden overgaan in één kracht, de zogenaamde elektrozwakke wisselwerking. Een belangrijke stap in de richting van de grote droom van een unificatie van alle natuurkrachten, iets waar natuurkundigen trouwens nog altijd mee bezig zijn.

Half de jaren 1960 kwamen ook François Englert en Roger Brout, beiden professoren aan de ULB, en iets later P. Higgs, met een hypothese voor de dag waarin werd uitgegaan van het bestaan van een soort energieveld dat inherent is aan het heelal. De bevestiging kwam in 2013 toen in het CERN het erbij horend boson ontdekt werd. Dankzij het mechanisme met dit Higgsveld is het nu mogelijk om te verklaren hoe een heelal, dat origineel enkel energie was, ooit is kunnen overgaan in massa. En eigenlijk dus ook hoe het komt dat ook wij bestaan uit massa en niet uit energie.

Engert en Higgs na de bekendmaking van de ontdekking van het gezochte deeltje in 2012Engert en Higgs na de bekendmaking van de ontdekking van het gezochte deeltje in 2012

In de jaren tachtig was het dan Alan Guth die zijn kosmische inflatietheorie van het jonge heelal voorstelde. Het heelal zou zo goed als meteen na de oerknal, in een fractie van een seconde, een onvoorstelbaar grote inflatie hebben gekend. Door uit te gaan van die enorme inflatie kon Guth een aantal onopgehelderde knelpunten van de oerknaltheorie van Lemaître verklaren. Ik denk bijvoorbeeld aan het horizonprobleem, het vlakheidsprobleem en het entropieprobleem.

En dan heb je uiteindelijk een goed jaar geleden, in 2015, ook nog de ontdekking van zwaartekrachtsgolven die de ruimtetijd van het heelal vervormen ten gevolge van de botsing van gigantische massa’s. Einstein zelf had het bestaan van die golven voorspeld, maar had daar meteen aan toegevoegd dat hij betwijfelde of men die ooit zou kunnen detecteren omdat ze zo zwak zijn.

Spoetnik 1, gelanceerd op 4 oktober 1957Spoetnik 1, gelanceerd op 4 oktober 1957

Een tweede pakket belangrijke evoluties, dat ik zou willen citeren, vind je in de ruimtevaart.

Ik herinner me nog heel goed dat in het Russische paviljoen op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel een model stond van de Spoetnik die in oktober 1957 gelanceerd was. Het was de allereerste satelliet die in een baan om de Aarde werd gebracht en meteen ook het begin van het ruimtevaarttijdperk. Het was ook de periode van de Koude Oorlog en die zorgde ervoor dat een ware wedloop ontstond tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. De Russen zonden als eersten een hondje, een man en een vrouw in de ruimte, maar de Amerikanen verbaasden op hun beurt de wereld toen op 20 juli 1969 een mens voet zette op de Maan, de ‘giant leap’ van Neil Armstrong.

Qua bemande ruimtevaart heeft men na de laatste Maanvlucht van Apollo 17 eind 1972 nooit meer dezelfde spectaculaire prestaties kunnen leveren, maar de vluchten met de Space Shuttles en het internationale ruimtestation ISS spreken zeker nog tot de verbeelding van jong en oud. Intussen is nu ook China bezig met bemande ruimtevaart. Ik wil hier toch ook even verwijzen naar de astronauten en kosmonauten die bij verschillende ruimtemissies het leven lieten: ruimtevaart heeft helaas ook zijn menselijke tol geëist.

De onbemande ruimtevaart is één groot succesverhaal met een hele vloot satellieten in een baan rond de Aarde. Dit is enerzijds met het oog op aardobservatie en telecommunicatie, maar anderzijds ook om te beschikken over ruimtetelescopen die geen last hebben van onze aardatmosfeer. En dan hebben we natuurlijk ook nog allerlei ruimtesondes die weggestuurd zijn om de vele verschillende objecten in het zonnestelsel van dichtbij of van ter plaatse te gaan exploreren. Daar waren vele hoogtepunten bij zoals de Voyagers met hun ‘Grand Tour’ langs de reuzenplaneten en die nu aan de rand zitten van de heliosfeer, Rosetta met de landing op een komeet, New Horizons die voor het eerst details van het Pluto-oppervlak fotografeerde, Ulysses die over de polen van de Zon vloog, de robotjes die op mars rondreden en rondrijden, enzovoort.

Er is nog een derde pakket?

Ja, en in dit pakket situeer ik de zoektocht naar buitenaards leven, wat men in wetenschappelijke kringen exobiologie of astrobiologie noemt. Tijdens rondleidingen op MIRA merken we goed hoe die kwestie ook leeft bij ons publiek. Zijn wij alleen in het grote universum? Dat is één van de grote vragen die de mens sinds den beginne bezig houden, maar waar nu serieus aan gewerkt kan worden dankzij de opkomst van de ruimtevaart en de ontdekking van planeten bij andere sterren.

In 1961 stelde Frank Drake, één van de grondleggers van het SETI-project, een formule op waarmee hij een realistische schatting dacht te maken van het aantal intelligente beschavingen in ons eigen sterrenstelsel, beschavingen waarmee we eventueel zouden kunnen communiceren. Dat was het begin van allerlei initiatieven in dit verband.

De vergelijking van Frank DrakeDe vergelijking van Frank Drake

Maar in verband met de zoektocht naar buitenaards intelligent leven moet je niet alleen weten waar je best kan gaan zoeken, maar ook in welke taal je moet communiceren. Er was de Arecibo-radioboodschap in 1974, het verzonden signaal was eigenlijk zuivere wiskunde. De 1679 bits die men toen verstuurd heeft, zijn aan de lichtsnelheid onderweg naar de bolhoop M13 in het sterrenbeeld Hercules. Dat object staat op zowat 23.000 lichtjaar, dus de boodschap is nog wel een tijdje onderweg. We moeten er dan vanuit gaan dat er ginds planeten rond die vele sterren draaien waar intelligente levensvormen vertoeven die in staat zijn om onze boodschap op te vangen, te begrijpen en dan maar hopen dat ze ook zinnens zijn om een antwoordje terug te sturen. Dat zou dan ook 23.000 jaar naar ons onderweg zijn. Een vlotte manier van communiceren kan je het alvast niet noemen.

Er is het project SETI, een letterwoord dat staat voor ‘Search for ExtraTerrestrial Intelligence’ dat allerlei wetenschappelijke projecten in dit verband bundelt, maar je hebt ook de twee Pioneers en Voyagers met elk een boodschap van onze beschaving aan boord, het landertje Philae aan boord van Rosetta dat op een komeetkern ging zoeken naar sporen van leven, je hebt de ExoMars die speurt naar sporen van methaan in de atmosfeer van Mars, er was de landing van de Huygens-sonde op Saturnusmaan Titan, enzovoort.

Men is er ook van overtuigd dat zich onder de ijskorst van Jupitermaan Europa een oceaan bevindt. Door de sterke getijdenkrachten die Europa van Jupiter ondervindt, is er wellicht voldoende inwendige energie aanwezig waarin levensvormen zouden kunnen floreren.

En dan heb je natuurlijk die vele honderden, duizenden exoplaneten die de laatste jaren bij andere sterren ontdekt werden. Waarom zou een evolutie zoals bij ons op Aarde daar ook niet hebben kunnen plaatsvinden?

Zoals je merkt: de zoektocht naar buitenaards leven is een onderzoeksdomein met toekomst. Maar blijft natuurlijk het gegeven dat de afstanden in het heelal zo onvoorstelbaar groot zijn en de vraag of wij ander intelligent leven als dusdanig zullen herkennen?

In verband met onze zoektocht naar ander intelligent leven waarschuwde Stephen Hawking nog onlangs dat het misschien wijzer zou zijn om ons gedeisd te houden. Volgens hem is intelligent buitenaards leven dat tot bij ons zou kunnen reizen wellicht veel geavanceerder dan wij. Die wezens zullen ons misschien als minderwaardig beschouwen, net zoals wij ons niet te veel bekommeren om het welzijn van mieren of bacteriën.

Tja, misschien heeft Hawking gelijk, of misschien ook niet, wie zal het zeggen? Maar zover zijn we volgens mij nog lang niet. Persoonlijk denk ik dat buitenaards leven wel zeker moet bestaan maar of we daar gemakkelijk mee in contact zullen kunnen treden lijkt me toch een hachelijke kwestie.

Zoals zo-even gezegd zijn de afstanden enorm. Zelfs aan lichtsnelheid duurt het jaren om van de ene ster naar de andere te reizen. Misschien doen we best om de eerste sporen van buitenaards leven dichterbij gaan zoeken, bijvoorbeeld op onze buurplaneet Mars. In dat geval zal het dan wel gaan om simpele levensvormen waar wij niet echt boeiende conversaties mee kunnen voeren.

Dat zou hoe dan ook groot nieuws zijn, niet? Dan is er eindelijk bewijs dat buitenaards leven echt een feit is. En als er leven is op Aarde en op Mars, dan is het toch heel waarschijnlijk dat leven een natuurlijk proces is in ons evoluerend heelal?

Dat is de logische gevolgtrekking, en het zou inderdaad opzienbarend zijn, dus het wordt spannend afwachten tot het effectief zover is.

Als we dit alles zo overlopen is het toch echt wel fantastisch wat er op amper vijftig jaar allemaal gerealiseerd is op het vlak van sterrenkunde en ruimtevaart. Daarbij heeft de technologie natuurlijk ook een enorme rol gespeeld.

Inderdaad. Ik herinner me nog dat wij aan de universiteit voor sterrenkunde rekenoefeningen moesten doen over de derde wet van Kepler. Daarvoor gebruikten wij een aloude rekenliniaal waarmee wij machtsverheffingen van getallen konden aflezen door de latjes ten opzichte van elkaar te verschuiven. Het was een ingenieus maar ambachtelijk instrument, en er diende hoe dan ook veel manueel rekenwerk te gebeuren met potlood en papier. Als je die werkwijze vergelijkt met de mogelijkheden en rekencapaciteit die rekenapparaatjes en computers tegenwoordig hebben, dan zie je op dat vlak een onvoorstelbaar grote evolutie. Computers worden almaar sneller, veelzijdiger én intelligenter, en de vraag is hoe lang het menselijk brein die evolutie nog zal kunnen blijven volgen. We kunnen daarover filosoferen, maar of we het nu willen of niet, die enorme technologische evolutie vinden we terug binnen haast alle domeinen van het moderne leven. En op vele vlakken maakt het ons leven hoe dan ook een stuk comfortabeler, denk maar aan onze dagelijkse communicatie.

Bovendien is het een fundamenteel streven van de mens om steeds meer te weten. De dag dat de mensheid niet meer tracht dingen bij te leren is het binnen de kortste keren gedaan met onze soort. Ongetwijfeld zijn er nadelen verbonden aan de technologische vooruitgang die we heden ten dage meemaken, zoals het bij sommigen dwangmatig gebruik van smartphones om maar een voorbeeld te geven. Het zal voor de mens een leerproces worden om op een verstandige manier met die nieuwe mogelijkheden om te gaan.

MIRA wordt dit jaar vijftig jaar. Wat is volgens jou de grootste verdienste van onze volkssterrenwacht?

Toen ik een vijftiental jaar geleden MIRA leerde kennen, was dat voor mij een openbaring. Ik kende eerlijk gezegd het concept volkssterrenwacht niet. Maar toen ik een rondleiding mocht meemaken en het enthousiasme zag waarmee jullie de mensen op een heel begrijpelijke, eenvoudige en toch correcte manier laten kennismaken met sterrenkunde, wist ik meteen dat MIRA echt wel een belangrijke taak heeft in onze maatschappij, zeker ook, en misschien in de eerste plaats, naar jongeren toe. De jeugd wordt zeker nog geboeid als wij hen door onze telescopen naar planeten en sterren laten kijken of als wij hen vertellen over onze bijzondere plaats in het grote universum. Als men na een activiteit op MIRA de sterrenwacht verlaat en een beetje verwondering en interesse mee naar huis kan nemen is het bezoek geslaagd. En in die context voelde ik mij hier ook meteen thuis.

Het brengt mij zo tot een tweede belangrijke rol die onze volkssterrenwacht speelt, namelijk MIRA als plaats waar mensen samenkomen om te werken aan een boeiend project. Volkssterrenwacht MIRA is en zal in de toekomst zijn, wat wij er samen van maken, vaste en vrijwillige medewerkers. Die sociale dimensie vind ik persoonlijk ook van kapitaal belang in onze hedendaagse maatschappij. Vrijwilligerswerk nodigt mensen uit om zich te engageren en open te stellen voor anderen. In een wereld waarin eigenbelang en materialisme hoogtij vieren, is het hartverwarmend om te zien hoe sommige mensen toch bereid zijn om zich op regelmatige basis in te zetten voor het welslagen van de meest uiteenlopende projecten, verenigingen, enzovoort.

Ten slotte zou ik je nog willen vragen, Emiel, welke vragen uit de natuurkunde en de sterrenkunde jou in het bijzonder bezighouden? Onlangs was er bijvoorbeeld ophef i.v.m. de theorie van Erik Verlinde over een alternatief voor de bestaande kijk op zwaartekracht. Wat de relevantie van deze nieuwe theorie is zal de toekomst uitwijzen, maar de vraag is pertinent: wankelt het standaardmodel? Moeten we onze natuurkunde fundamenteel herdenken? Ik weet dat dit soort zaken jou echt in hoge mate interesseren.

Geocentrisch model van PtolemaeusGeocentrisch model van Ptolemaeus

Dat klopt. En dat is wat mij betreft nu juist het mooie van de wetenschap, namelijk dat we nooit kunnen zeggen dat wat we op een bepaald moment de ultieme wetenschappelijke waarheid in pacht hebben. Elke wetenschappelijke waarheid zal steeds maar de voorlopig beste waarheid blijven. Zoveel eeuwen geleden plaatste Ptolemaeus de Aarde in het midden van het universum, een visie die een tiental eeuwen zou meegaan. Voor ons is dat nu misschien een gek idee, maar voor Ptolemaeus, die op basis van dat wereldbeeld alle toen gekende hemelfenomenen kon verklaren, was zijn model op dat moment de waarheid. Nadien zijn dan Copernicus, Galilei, Newton en zoveel anderen gekomen met een geocentrisch model. En vandaag zijn wij tot het besef gekomen dat de Zon niet in het midden van het heelal staat, maar slechts één nietig sterretje is te midden van miljarden andere sterren in ons eigen sterrenstelsel, dat dan op zijn beurt weer maar één van de miljarden andere stelsels is. Met dit beeld van het heelal voor ogen zou het wel pretentieus klinken te beweren dat wij bijna alles weten. Wat wij weten is uiteindelijk zo belachelijk weinig, vergeleken met wat wij niet weten.

De zwaartekrachtstheorie van Newton is een mooi voorbeeld van de evolutie die zich in de astronomie heeft voorgedaan. Newton kon precies beschrijven hoe hemelobjecten bewegen in het zonnestelsel, maar hij had geen idee wat de precieze aard was van de zwaartekracht. Plantte die zich oneindig snel en dus sneller dan de lichtsnelheid voort? In 1915 keek Einstein op een heel andere manier naar die zwaartekracht. En nu is het de beurt aan Erik Verlinde om Einsteins visie over de zwaartekracht op de wetenschappelijke rooster te leggen. Ik vind dit soort ontwikkelingen ongemeen boeiend. Uit verder onderzoek zal moeten blijken of Erik Verlindes theorie klopt. Mocht dit het geval zijn, dan staan we andermaal voor een fundamentele aanpassing van onze visie op het heelal.

De E-ELT, de nieuwe supertelescoop van de ESO die in 2024 klaar zal zijnDe E-ELT, de nieuwe supertelescoop van de ESO die in 2024 klaar zal zijn

Gaat die vooruitgang uiteindelijk leiden tot de ultieme ‘Theory of everything’? Ik heb daar mijn twijfels over. Technologisch zullen er altijd beperkingen zijn om instrumenten te bouwen die de natuur tot in het extreme kunnen ontleden, en wellicht is ook onze menselijke geest te beperkt om vat te krijgen op de vele dimensies van het heelal. Net zoals de mens de honderd meter steeds sneller loopt, gaat de wetenschap de natuur steeds adequater kunnen beschrijven. Maar net zoals we de honderd meter wellicht nooit in een seconde zullen kunnen lopen, zal de complexiteit van de natuur ons volgens mijn bescheiden mening steeds voor raadsels blijven plaatsen.

In dit verband raad ik zeker iedereen de lectuur aan van het prachtige boek ‘Désir d’infini’ van de Vietnamees-Amerikaanse astronoom Trinh Xuan Thuan. Wie dit boek gelezen heeft, zal zonder twijfel op een andere manier naar de wereld rondom kijken.

Dank voor het boeiende gesprek, Emiel. En laat er ons allen samen een mooi jubileumjaar van maken op MIRA!

Tekst: Francis Meeus
05/01/2017