Hoe Pluto aan zijn naam kwam


Het zonnestelsel in de Oudheid en in de moderne tijd

In de Oudheid was het wereldbeeld klaar en duidelijk: de Aarde stond in het midden en daaromheen draaiden zeven zwervers, planeten: de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit alles werd omsloten door een sfeer met daarop de vaste sterren.

Meer dan een millennium later kwam er verandering in dat beeld toen het boek ‘De Revolutionibus Orbium Coelestium’ van Nicolaus Copernicus in 1543 gepubliceerd werd.

In dat boek werd de Zon centraal geplaatst, en de Aarde kwam op de derde rij in een baan eromheen terecht. Voor de rest waren het dezelfde objecten die het zonnestelsel bevolkten.

Met de bevindingen, waarnemingen en publicaties van Galilei, Newton, Huygens e.a. kwam er vanaf de zeventiende eeuw een wetenschappelijke revolutie tot stand. Die zorgde ervoor dat astronomen een mechanica ter beschikking hadden op basis van een aantal universele natuurwetten. Daarmee konden zij de hemelbewegingen beschrijven en voorspellen.

In 1781 werd toevallig een nieuwe planeet ontdekt, Uranus. En door een massa buiten de baan van Uranus die deze baan opmerkelijk verstoorde kon de positie van nog een nieuwe planeet voorspeld worden. Zo werd in 1846 Neptunus aan het lijstje planeten toegevoegd.

 

Screen-Shot-2016-08-17-at-12.00.48-PM.jpg
De wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw

 

De ontdekking van een negende planeet

In 1894 had de rijke Amerikaanse zakenman en amateurwetenschapper Percival Lowell in Flagstaff, Arizona, een sterrenwacht opgericht, het Lowell Observatory.  

Lowell is bekend omwille van zijn verbeten zoektocht naar en waarnemingen van de zogenaamde kanalen die de Italiaanse astronoom Schiaparelli op Mars had menen te ontdekken. Later bleek het om optische illusies te gaan omwille van atmosferische turbulenties, waardoor het menselijk brein inderdaad de neiging heeft om patronen te zien die er in werkelijkheid niet zijn. Meegesleept door zijn enthousiasme i.v.m. de Marskanalen was Lowell ervan overtuigd dat op onze buurplaneet een hoogontwikkelde beschaving actief moest zijn.  

Lowell was ook overtuigd dat er buiten de baan van Neptunus nog een negende planeet te vinden zou zijn. Hij noemde die alvast ‘Planet X’ en startte in 1906 een project om die planeet op te sporen. 

Met het overlijden van Lowell in 1916 kwam die zoektocht ruim tien jaar stil te liggen, maar in 1929 ging het project opnieuw van start. De jonge Clyde Tombaugh kreeg de taak om de nachthemel systematisch te fotograferen. Vervolgens diende hij met een speciaal daartoe ontworpen toestel de foto’s te vergelijken om zo te speuren naar objecten die ten opzichte van de vaste sterrenachtergrond van positie veranderd waren.

Na iets minder dan een jaar, op 18 februari 1930, had hij prijs: op twee foto’s van een stuk sterrenhemel in het sterrenbeeld Gemini die hij vergeleek, de ene van 23 en de andere van 29 januari, zag hij een object dat duidelijk een eindje opgeschoven was. Daarop werden er foto’s gemaakt ter controle, en het ging wel degelijk om de ontdekking van een nieuw zonnestelselobject buiten de baan van Neptunus. Op 13 maart 1930 werd de ontdekking officieel wereldkundig gemaakt.

 

20130129_pluto_discoveryplates.jpg

 

De nieuwkomer kreeg als naam Pluto (daarover zo meteen meer), en tot 1992 werd het object zonder probleem de negende planeet van het zonnestelsel genoemd.

 

Degradatie tot dwergplaneet

Pluto is de enige planeet van ons zonnestelsel die door de Amerikanen is ontdekt, en wat beslist de Internationale Astronomische Unie IAU in 2006? Dat die planeet gedegradeerd wordt tot dwergplaneet…

Hoe kan dat?

De problemen begonnen in 1992 toen het eerste Kuipergordelobject ontdekt werd, object 1992 QB1 (intussen met de officiële naam 15760 Albion).

De Nederlands-Amerikaanse astronoom Gerard Kuiper had al in het begin van de jaren 1950 voorspeld dat er buiten de banen van de reuzenplaneten Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus een gordelvormige zone moet zijn waar bouwstenen uit de beginperiode van het zonnestelsel naartoe gemanoeuvreerd zijn door de zwaartekrachtsinteracties van de zware objecten.  

Het zijn relatief kleine objecten (van +-100 m tot meer dan 1.000 km groot) op vele miljarden kilometers van de Aarde. Daarom heeft het ettelijke decennia geduurd vooraleer er voldoende gevoelige waarnemingsinstrumenten ter beschikking waren om in die zone objecten te ontdekken. Qua grootte en samenstelling zijn het objecten die vergelijkbaar zijn met Pluto, en sinds 1992 zijn er intussen meerdere duizenden ontdekt.

1992_QB1.jpg
Ontdekking eerste Kuipergordelobject 1992 QB1

 

In 2005 werd er eentje ontdekt op basis van een waarneming uit 2003, object 2003 UB313, waarvan men aanvankelijk dacht dat het net iets groter is dan Pluto. En aangezien Pluto een planeet is, leek het evident om het nieuwe object dat Eris als naam kreeg ook als planeet te beschouwen.

Maar toen besloot de IAU in te grijpen.  

Door de gestage stroom van steeds nieuwe ontdekkingen van Pluto-achtige objecten buiten de baan van planeet Neptunus leek het een goed idee om over deze kwestie een debat te voeren binnen de schoot van de astronomische gemeenschap en vervolgens een sluitende definitie voor te stellen om voortaan ondubbelzinnig te kunnen bepalen welk object planeet kan genoemd worden en welk object niet.

Op 24 augustus 2006 werd op het IAU-congres in Praag bepaald dat een planeet ten eerste een object is dat ten gevolge van zijn eigen zwaartekracht bolvormig is, ten tweede in een baan rond een ster beweegt en ten derde in de omgeving van die baan andere objecten weg gemanoeuvreerd heeft.

Pluto voldoet wel aan de eerste twee criteria, maar niet aan het derde criterium. Daarom werd er voor Pluto en nog een aantal gelijkaardige objecten een nieuwe categorie in het leven geroepen die deze hemellichamen moet onderscheiden van de miljoenen andere objecten in het zonnestelsel: de categorie van de dwergplaneten. Voorlopig gaat het om vijf exemplaren: Ceres, Pluto, Haumea, Makemake en Eris. Maar binnen afzienbare tijd zullen er nog wel een aantal dwergplaneten bijkomen.

 

Welke naam voor de nieuwe planeet?

De ontdekking van de nieuwe planeet in 1930 zorgde wereldwijd voor heel wat opwinding. En overal werd gespeculeerd over een gepaste naam voor het hemelobject.

 

Clyde%20Tombaugh.jpg
Clyde Tombaugh in 1930

 

Clyde Tombaugh van het Lowell Observatory had de ontdekking gedaan, dus was het aan het Lowell Observatory om te beslissen welke naam het uiteindelijk zou worden. Aan keuze geen gebrek, want ze ontvingen in Flagstaff meer dan duizend suggesties van overal ter wereld.

Eén van die voorstellen kwam van een elfjarig schoolmeisje uit de Engelse stad Oxford, Venetia Burney. Bij het ontbijt las haar opa voor uit de krant over de Amerikaanse ontdekking van de nieuwe planeet en over de zoektocht naar een geschikte naam.

Zij kende de Griekse mythologie op haar duimpje en wist dat alle planeten van het zonnestelsel namen hadden van Griekse goden met hun Latijnse namen. Zij stelde aan haar opa voor om de nieuwe planeet Pluto te noemen naar de god van de onderwereld. Het leek echt wel een zeer toepasselijke naam voor die planeet ver weg van de Zon in de koude en duistere diepten van het zonnestelsel.

Haar opa was bibliothecaris geweest aan een bibliotheek van de universiteit, en kende een professor sterrenkunde. Hij sprak die man over het voorstel van zijn kleindochter Venetia, en zo werd kort nadien de naam Pluto getelegrafeerd naar zijn Amerikaanse collega’s van het Lowell Observatory.    

Daar werd een short-list opgesteld met slechts drie namen: Minerva, Cronus en Pluto. Alle medewerkers mochten stemmen, en ze kozen unaniem voor de naam Pluto. Op 1 mei 1930 werd dat officieel bekend gemaakt.

Een toevallige aardigheid: de twee eerste letters van Pluto zijn de initialen van Percival Lowell, de oprichter van de gelijknamige sterrenwacht.

Op de website van de NASA kan je een interview met Venetia Burney beluisteren.

 

CPP6aXEUwAAPliH.jpg%20large.jpg

 

Van gevaarlijke hond tot trouwe vriend

In 1928 wordt een filmster geboren, een tekenfilmfiguurtje dat één van de beroemdste iconen in onze beeldcultuur zou worden: Mickey Mouse.

In september 1930 verschijnt er een tekenfilm waarin Mickey een ontsnapte gevangene speelt en waarbij hij door een bloedhond achtervolgd wordt. De hond heeft dan nog geen naam maar lijkt al sprekend op het figuurtje dat we later als Pluto zullen leren kennen.

Anderhalve maand later is datzelfde figuurtje te zien als Rover, de hond van Minnie Mouse, het vriendinnetje van Mickey, wanneer ze onder hun drieën gaan picknicken.  

De derde keer dat de hond te zien is, is in 1931. Zijn naam is nu Pluto en hij is de hond van Mickey.

Aanvankelijk was Pluto maar een bijfiguur, maar sinds 1934 is hij een van de vaste Disney-karakters naast Mickey, Donald Duck, Goofy, enzovoort.

Waarom is Rover van eind 1930 plots in 1931 Pluto geworden? Honderd procent zeker is het niet, maar één van de Disney-tekenaars uit die tijd verklaarde in dit verband: “We vonden de naam Rover een beetje te gewoon, dus zochten we iets anders. We veranderden de naam in Pluto, maar ik kan me werkelijk niet meer herinneren waarom”.

Maar iedereen was er van overtuigd dat die belangwekkende ontdekking van een nieuwe planeet waar in Amerika zoveel over te doen was en dat charmante verhaal van hoe die planeet aan zijn naam kwam Walt Disney ongetwijfeld moet geïnspireerd hebben.

 

Een extraatje op MIRA

Sinds eind juni 2018 kan je met behulp van de telescopen op het waarnemingsterras van MIRA een blik werpen op... Pluto. Overdag!

Pluto%20op%20toren%20abdijkerk.jpg

Met dank aan Mark Racquet en zoon voor het bevestigen van het kleinood op het linkse glasraam van de middenste toren van de basiliek en aan de kerkfabriek van Grimbergen voor hun aimabele toestemming om deze kleine spielerei mogelijk te maken.

 

Nog een leuk toemaatje in dit verband

Walt Disney baseerde speur- en bloedhond Rover/Pluto op het Amerikaans gefokte hondenras 'black and tan coonhound', dat vermoedelijk een kruising is tussen o.m. de bloedhond (Sint-Hubertushond) en de foxhound.

De Belgische Sint-Hubertushonden werden reeds gehouden door de heilige Hubertus van Luik (655-727), de laatste bisschop van Maastricht en de eerste bisschop van Luik. De hond werd door monniken gefokt om verdwaalde pelgrims op te sporen.

En zo is er onbedoeld nog een extra link tussen het speelgoedhondje dat we op de basiliek lieten bevestigen en de abdij.

Met dank aan Herwig Ronsmans voor deze aanvulling.

 

Bronnen:

 

Tekst: Francis Meeus, september 2018